Cats opnieuw ontdekt als volksopvoeder

Door in Geschiedenis op 30 mei 2019

Werd er maar meer gelezen, is regelmatig de verzuchting. De Bijbel wordt wel van de plank gepakt, maar verder? De schrijver die eeuwenlang het beste plekje in de boekenkast kreeg –naast de Bijbel dus– was opmerkelijk genoeg geen predikant of theoloog. Het was Jacob Cats.

Jacob Cats. Bron Wikimedia Commons

Cats (1577-1660) nam bij onze voorvaders in de zeventiende en achttiende eeuw een bijzondere plek in. Hij was jurist in Zeeland en klom op tot raadpensionaris van Holland, een functie vergelijkbaar met die van premier. Zijn bekendheid heeft hij vooral te danken aan zijn opvoedkundige dichtbundels. Het waren bestsellers.

De bekende recensent Conrad Busken Huet legde echter in de negentiende eeuw een bom onder Cats’ populariteit. Een van de eerste zinnen van zijn bespreking luidt: „Al hetgeen er onhebbelijks wezen mag in onze landaard is weleer vlees geworden in de persoon van Jacob Cats.” Het vervolg laat zich raden: Cats schreef „keutelpoëzie”, Cats was een viespeuk met zijn liefdesgedichtjes, Cats was een over het paard getilde „Zeeuwse poldergast.” Kortom: alles wat Busken Huet aanroerde, veranderde in drek. Vrijwel alleen Abraham Kuyper hees hem nog op een schild als een goed maatschappelijk betrokken calvinist.

Conrad Busken Huet. Bron literatuurmuseum.nl

Pas vanaf eind twintigste eeuw keek men opnieuw naar Cats: was hij alléén de platvloerse dichter die Busken Huet van hem had gemaakt? Nederland had een crisis nodig om op andere gedachten te komen. De verzuiling stortte in, nieuwe politieke partijen kwamen op. Opeens zag men Cats als een man die heldhaftig een moreel kompas van matigheid en tolerantie hanteerde in een net zo beroerde tijd. Zijn hameren op de waarde van het huwelijk had bijvoorbeeld als doel om de samenleving te versterken: „Ick bid de Zeeusche jeught en alle ware mannen/ Noyt vrouwe door bedwang in huys te willen bannen/ Sy dient niet, als een boef, gesloten in de stok/ Sy dient niet als een aep gehouden aen den blok/ Denckt vry dat menigh wijf is uyt den bant gesprongen/ Omdat se veel te seer was in den bant gedwongen/ Van hier dan alle dwang: de Zeeuw is al te vry.”

Cats is dus gerehabiliteerd in zijn functie als volksopvoeder. De visie op zijn poëzie bleef onveranderd: zeker niet slecht, maar ook niet diepzinnig. Of dat erg is, is maar de vraag. Want dat heeft er ongetwijfeld voor gezorgd dat een breed publiek hem in het hart sloot.

Moet Cats dan maar weer een plek naast de Bijbel krijgen? Hij was weliswaar bevriend met Teellinck, stuurde zijn kinderen naar de bevindelijke schoolmeester Johannes de Swaef en verdichtte ook psalmen en Bijbelse geschiedenissen. Toch zien kenners in hem geen piëtist maar een gematigd calvinist.

Genoeg stickers geplakt op Cats. Interessanter is de vraag welk boek nú het meest wordt verkocht in christelijke kring en dus eigenlijk op de plank naast de Bijbel staat. We hoeven niet 200 jaar te wachten op een nieuwe Busken Huet om daar conclusies uit te trekken.

Dit is een aflevering uit de kerkhistorische rubriek ‘Kerkhistorie met een knipoog’ van het Reformatorisch Dagblad (link). Deze column verscheen in juni 2018.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *