De preekstoel als een houten dokter

Door in Geschiedenis op 1 april 2019

In de zomer worden er verstrekkende besluiten genomen in domineesland. Predikanten kondigen hun vertrek aan als het kerkenwerk even in de pauzestand staat. Studenten die hun opleiding afronden, nemen al snel daarna een beroep aan. Loslaten, inpakken, uitpakken, opbouwen: een verhuizing gaat niemand in de koude kleren zitten. Predikanten hebben daarvoor een bijzondere remedie. Ze kunnen zich wenden tot de ‘houten dokter’. Dat doen ze dan ook, wekelijks zelfs. Er ligt een bijzondere kracht besloten in het staan op de kansel.

De houten broek, de kansel. Bron Wikimedia Commons

De bijnaam zal vast verwijzen naar plankenkoorts. Het is niet niks om tientallen of honderden ogen op je gevestigd te zien. Ieder die weleens voor een groep mensen heeft moeten spreken, weet daarvan. De adrenaline gaat omhoog, verlammende schrik bevangt je als je de draad even kwijtraakt. Daarbij staat de predikant voor de niet-geringe opgave om kerkgangers Gods heil voor ogen te stellen. Ds. N. van der Snoek schreef er in 1931 over in De Waarheidsvriend: „En, om nu weer tot den „houten dokter” terug te komen: die zenuwachtigheid, die de zaterdagsche kwaal van vele dominees is, verergert vast en zeker elke andere kwaal. De preekstoel brengt de zenuwen tot ontknooping, geeft bij ’t volbrengen der heerlijke taak een weldadige ontspanning, ook doordat de wetenschap sterkt: „Hij, Die mij ’t allerbest hoort en Die luistert of Zijn boodschap getrouw wordt neergelegd, kan het wel verder brengen dan ik.”

De preekstoel helpt tegen geestelijke zorgen, meldt De Wachter Sions in 1957. „Die preekstoel is niet voor niets weleens de houten dokter genoemd. Geen medicijnen van de dokter kunnen zo goed helpen als een eenvoudig preekje waar Gods Geest in meekomt en de ziel ook van de leraar zelf door gesticht wordt.”

De houten dokter kan zelfs genezen van allerlei lichamelijke ziekten. Zo staat in het blad De Bazuin uit 1922: „Ik heb het zelf wel gehad dat ik eigenlijk te ziek was om te preeken, en dat ik onder de preek zoo frisch werd als een hoentje. ’t Is me wel overkomen dat ik hevige kiespijn had, en binnen vijf minuten er totaal niets meer van voelde.”

Het tegengestelde is soms ook waar. Meerdere keren werd een dominee onwel op de kansel. En soms sterven predikanten in het harnas. Op 25 november 1948 werd het kerkgebouw van de christelijke gereformeerde kerk in ’s-Gravenzande in gebruik genomen na een restauratie. Ds. H. Velema, die de gemeente in het verleden gediend had, hield na de preek een toespraak en bezweek toen aan een hartaanval. Zijn laatste woorden waren: „Gemeente, ik hoop van harte dat dit kerkgebouw een Bethel mag zijn, een huis Gods. Nee, wat zeg ik? Een Pniël! Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn ziel is gered geweest.” Zo werd voor hem de kansel een plek waar de hemel werd geopend. Daar kan geen (houten) dokter tegenop.

Dit is een aflevering uit de kerkhistorische rubriek ‘Kerkhistorie met een knipoog’ van het Reformatorisch Dagblad (link). Deze column verscheen in juli 2018.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *