De verzuiling, een mythe?

Door in Geschiedenis op 5 juli 2014

Staat van verzuiling, Peter van DamDe verzuiling lijkt voorgoed voorbij. Een periode van zo’n 130 jaar in de Nederlandse geschiedenis is afgesloten. Eerst ontstond de gereformeerde zuil van Kuyper, vervolgens een rooms-katholieke, een socialistische, een neutrale/liberale zuil en een kleine vrijzinnig-protestantse zuil. Voor Nederland lijkt de laatste jaren de verdeelsleutel, waarbij de zuilen gemeten naar hun omvang een stem kregen in het omroepbestel of op andere maatschappelijke terreinen, niet meer van toepassing te zijn.
Historici zijn echter nog niet klaar met de verzuiling. Historicus Peter van Dam van de Universiteit van Amsterdam betoogt in een vlotlezend boek dat verzuiling en ontzuiling een mythe zijn. Het woord verzuiling heeft diverse betekenissen gehad in de geschiedenis. Van Dam bespreekt historici, sociologen en politicologen die in het verleden hebben geschreven over het fenomeen verzuiling. Hij stelt de zijns inziens kritiekloos gebruikte term ter discussie door die te historiseren. Van Dam vindt het bovendien een containerbegrip: veranderingen op het gebied van individu, organisatie, religie en politiek kunnen beter los van elkaar geanalyseerd worden, zo stelt hij. Verder is de term vooral gebruikt door voor- en tegenstanders om een positie te legitimeren. De verzuilingsmythe is niet “onschuldig”.

Verzuiling is nog altijd een begrip aan de hand waarvan over de wenselijke rol van religie in de maatschappij wordt gedebatteerd.

Te snel schuift Van Dam de verzuiling als een mythe opzij. Even gemakkelijk komt hij met een ander model. Daarmee brengt hij zwaar, te zwaar geschut in stelling. Hij hoopt “een minder verwrongen beeld van de recente Nederlandse geschiedenis mogelijk te maken”.
De zuilenmetafoor kwam eind jaren dertig van de twintigste eeuw op. Het woord werd aanvankelijk gebruikt in ambtelijke en politieke kringen. In de jaren vijftig en zestig namen sociologen en politicologen als Hans Daalder en Arend Lijphart het woord over in hun onderzoek.
Voorstanders van de zuil roemden vanaf de jaren veertig de mogelijkheid om elke bevolkingsgroep een stem te geven, beschrijft Van Dam. Ze vonden de verzuiling een acceptabele samenlevingsvorm, hoewel de eenheid die er vroeger zou zijn beter was. Tegenstanders wezen op de destructieve krachten in de verzuilde gemeenschappen. Ze zouden de nationale eenheid ondermijnen. Hier lijkt Van Dam even zelf te spreken: eenheid is beter dan verdeeldheid. Verzuiling is dan gelijk aan onenigheid.
De verzuiling wordt gewoontegetrouw uitgebeeld als een Griekse tempel: de maatschappij, het dak, rust op zuilen, elk een gemeenschap in Nederland verbeeldend. Wie de verzuiling zo’n statische, karikaturale betekenis geeft, moet wel met een andere komen. Dat doet Van Dam. De term verzuiling ontkent volgens hem dat gemeenschappen in de geschiedenis zich in meerdere of mindere mate vloeiend hebben aangepast aan maatschappelijke veranderingen. Sommige gemeenschappen verdampten al snel, anderen hielden het langer vol en nieuwe gemeenschappen van orthodox-protestantse en islamitische aard kwamen op.
Van Dam kiest voor een model van zware en lichte gemeenschappen en gaat daarmee in reuzenstappen de geschiedenis van Nederland door. Zware en lichte gemeenschappen zijn sterk belijnd en georganiseerd of hebben juist een diffuse identiteit. Hij legt daarmee als veel historici sinds de jaren tachtig de nadruk op continuïteit en en passant ook op het vergelijkend onderzoek. Tot de jaren tachtig werd in Nederland de verzuiling gezien als een typisch Nederlands verschijnsel. In zo’n Sonderweg voor de Nederlandse situatie ziet Van Dam niets, zo blijkt uit enkele weinig samenhangende voorbeelden.
De interesse van Van Dam gaat in het boek uit naar de gereformeerde zuil. De neutrale/liberale zuil, die eigenlijk nooit echt een zuil was geweest, viel al spoedig uit elkaar. De socialisten braken na de Tweede Wereldoorlog zelf hun zuil af vanuit de drang zich breder te profileren. De rooms-katholieken bleven tot lang bij elkaar vanwege de gezaghebbende uitspraken van de bisschoppen.
De gereformeerden zijn echter uit eigen beweging bij elkaar gekropen in een zware gemeenschap, stelt Van Dam. De transformatie tot een lichte gemeenschap in de jaren zeventig was niet van bovenaf opgelegd. Protestanten deden zelf de beknellende jas van hun zware gemeenschap af omdat ze hun geloof levend wilden houden voor toekomstige generaties.
Tegelijk kleeft aan deze interesse voor gereformeerden het probleem hoe een gemeenschap te verklaren is. Ook het model dat Van Dam gebruikt, kan daar niet goed mee uit de voeten. Het is lastig om andere gemeenschappen bloot te leggen dan degenen die hun achtergrond vinden in een helder omlijnde ideologie of religie en een herkenbare set waarden en normen. Al snel blijken lichte gemeenschappen niet meer zichtbaar. Daarmee lijkt het model van Van Dam hetzelfde te verklaren als de gangbare visie dat ontzuiling volgde op verzuiling.
Bescheiden eindigt Van Dam:

Met de termen zware en lichte gemeenschappen heb ik hier een poging gewaagd, anderen hebben wellicht betere suggesties.

Het model biedt goede aanknopingspunten, mits men sterk inzet op de thema’s die het nieuwe onderzoeksmodel naar de mening van Van Dam beter voor het voetlicht brengt: onderzoek naar individu, organisatie, religie en politiek.

Peter van Dam, Staat van verzuiling, over een Nederlandse mythe, Amsterdam: Wereldbibliotheek 2011, 156 blz., € 15,90, ISBN 978 90 2842 419 7

Eerder verschenen in Transparant 2012 (4), uitgave van de Vereniging van Christen-Historici.

Up ↑

Share on FacebookShare on LinkedInTweet about this on TwitterShare on Google+Email this to someonePrint this page

Comments are closed.