Driestar was oefenplaats voor reformatorische zuil

Door in Geschiedenis op 29 november 2014
Bron Ardjanlogmans.nl

Driestar Educatief in Gouda.
Bron Ardjanlogmans.nl

Deze week is een nieuw boek over de geschiedenis van de christelijke hogeschool Driestar Educatief in Gouda gepresenteerd. Het boek Wees een gids! behandelt de geschiedenis van de Goudse pabo vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw.

Twee jaar geleden verscheen het boek Wordt een heer! van historicus John Exalto. In dat boek gaat Exalto de geschiedenis langs van de voorgaande decennia. Ik interviewde hem voor Transparant, het kwartaalblad van de Vereniging van Christen-Historici.

Hieronder het interview. Binnenkort volgt een bespreking van het boek Wees een gids!. (UPDATE 28-01-2015: klik hier voor de recensie)

Driestar was oefenplaats voor reformatorische zuil

„Wordt een heer!” schreef Piet Kuijt, directeur van De Driestar in 1955 aan Sijmen Baarssen, een kandidaat die zakte voor het staatsexamen. Het zinnetje weerspiegelde de waarden van de school die hij oprichtte: gedraag je zelfbewust, neem verantwoordelijkheid, spreek correct Nederlands, sta voor je levensovertuiging en stel je op als volwaardig burger in de samenleving. Historicus dr. John Exalto beschreef in een boek dat op 27 november wordt gepresenteerd het opvoedingsvertoog van de reformatorische hogeschool uit Gouda en weefde daar doorheen de geschiedenis van de school en haar oprichters.

Bron Transparant

John Exalto. Bron Transparant

De onderwijsgeschiedenis van de Goudse school is in wetenschappelijke literatuur nog niet onderzocht. “Vaak wordt verwezen naar Jacobus Koelman, predikant uit de zeventiende eeuw. Dat betekent dat men eigenlijk geen idee heeft wat voor opvoedingsvertoog bevindelijk gereformeerden hadden”, zegt John Exalto, verbonden aan de faculteit der psychologie en pedagogiek van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Oprichter Kuijt koos met ‘zijn’ Driestar voor een eigen pedagogische weg binnen de protestantse scholen. De orthodoxprotestantse onderwijzersopleidingen, nu gevestigd in Zwolle en Ede, sloten zich volgens Exalto vaak aan bij de gereformeerde opvoedingsdeskundigen Jan Waterink en Herman Bavinck. Kuijt ging echter studeren bij de vrijzinnighervormde Rommert Casimir in Leiden. Als directeur van De Driestar legde hij vervolgens in Duitsland contacten met pedagoog Hugo Gotthard Bloth uit Dortmund. Ook was hij gecharmeerd van de reformpedagogiek. “Dat was geen klassiek, frontaal onderwijs. Het was niet alleen gericht op cognitieve, maar ook op sociale en karakterologische vorming. Helaas heeft Kuijt die vernieuwingen niet geheel kunnen doorvoeren door de drukte die samenhing met zijn functie.” De bevindelijke afkeer van het neocalvinisme leidde op De Driestar dus tot moderne vernieuwingen met een positief effect op het pedagogisch klimaat, concludeert Exalto.

De Vrije Universiteit had al langer interesse in de vormingsgeschiedenis van De Driestar, vertelt de historicus. “De school is interessant vanwege de orthodoxe identiteit terwijl tegelijkertijd discussie en aansluiting gezocht werd en wordt met actuele pedagogische debatten.”

De Driestar wilde bovendien zijn eigen geschiedenis ontsluiten. Om het opvoedingsvertoog heen heeft Exalto de geschiedenis van De Driestar van 1910 tot en met 1975 verwerkt en daarmee ook die van de founding fathers, ds. Gerrit Hendrik Kersten en Piet Kuijt. De analytische hoofdstukken over pedagogiek zijn afgewisseld met chronologische gedeelten om zo een divers publiek aan te spreken. Daarbij bedient Exalto zich met regelmaat van bevindelijke terminologie om zijn punt te maken.

Isoleren en organiseren

Hoewel Kuijt De Driestar in 1944 oprichtte, start het boek in 1910. Toen begon Kersten met zijn activiteiten in school, kerk en samenleving. Tot aan zijn dood in 1948 speelde de oprichter van de SGP en de leidsman van de Gereformeerde Gemeenten een grote rol bij het ontstaan van De Driestar. “Kersten nam het recept van Kuyper over”, zegt Exalto. “Eigen instituties bouwen door lokaal te isoleren en nationaal te organiseren. In mijn boek voer ik diverse argumenten aan waaruit blijkt dat Kersten niet zomaar in algemene zin, maar heel specifiek door Kuyper en het neocalvinisme werd beïnvloed. Die invloed liet zich later nog gelden in de naam van De Driestar, die gelegitimeerd werd met een maatschappijvisie die ontleend is aan Kuypers leer van de soevereiniteit in eigen kring.”

Kersten was de man die Kuijt enthousiasmeerde, stelt Exalto. Bovendien bouwde Kersten de zuil op in de jaren twintig en dertig. Diverse behoudende figuren uit de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken gingen in deze jaren over naar het latere kerninstituut van de zuil, de Gereformeerde Gemeenten. Kuijt was een van hen. Zijn ouders uit Odijk namen hem, toen hij puber was, mee naar de gereformeerde gemeente te Zeist.”

Scholing was geen vanzelfsprekende zaak voor de bevindelijk gereformeerden van voor de Tweede Wereldoorlog. Dat had te maken met hun sociale positie en geloofsopvattingen. “Kersten kreeg in eigen kring bij alle activiteiten, van SGP tot een eigen school, te maken met tegenstand. Als er een prima school is met een hervormd schoolhoofd, waarom moeten we dan schifting aanbrengen, zo redeneerde men. Daarachter zat een mentaliteitslaag. Velen hingen een bevindelijk quiëtisme aan, gebaseerd op de leer van onder anderen de negentiende-eeuwse dominee Lambertus G. C. Ledeboer. De Geest zou mensen wel leren, diploma’s leverden niets op voor de eeuwigheid. Kersten belichaamde echter het neocalvinistische ethos van scholing en studie. Hoezeer hij zich ook keerde tegen de Kuyperiaanse veronderstelde wedergeboorte, in sociologische zin zijn al zijn activiteiten als een variant van het neocalvinisme te beschouwen. Door de Pacificatie van 1917 werd het mogelijk eigen scholen op te richten. Opvallend is dat Kersten de Gereformeerde Bond wat dadendrang betreft ‘rechts’ inhaalde. De Bond was toen ook bezig met oprichting van een school voor de opleiding van onderwijzers, maar dat ketste in eerste instantie op financiële bezwaren af. Uiteindelijk kwam in die kring in 1954 een onderwijzersopleiding van de grond, die we nu kennen als de Christelijke Hogeschool Ede.”

Rond de dood van Kersten ebden de tegenstellingen weg. “Wel was er in de jaren zestig af en toe een oudgereformeerde dominee die schreef dat bij alles wat er gebeurde één ding belangrijkwas: ‘het ene nodige’. Ondanks dergelijke noties had deze dominee zich toch ongemerkt laten inpassen in het scholingsidee van Kersten. Kuijt heeft die lijn voortgezet.”

Interkerkelijk denken

Een school vanuit de Gereformeerde Gemeenten, zoals Kersten voor ogen had, was niet mogelijk, zag Kuijt. Die kerk was te klein om een onderwijzersopleiding in stand te houden, net zoals ze te klein was Voor de kiesdeler had Kersten ook christelijk gereformeerden, bevindelijke hervormden en oudgereformeerden nodig. Kuijt dacht breder dan zijn geestelijke vader, omdat hij positief stond tegenover een interkerkelijke bestuurlijke basis. Daarvoor muntte hij in 1951 de gemene deler ’reformatorisch’.

Zijn onderwijzerscursussen en onderwijsinstelling Instituut Zeelandia tijdens de Krabbendijkse periode stonden voor iedereen open. Na de watersnood van 1953 verhuisde de school naar Gouda. Door de overheidssubsidie die De Driestar in 1956 kreeg, werd het interkerkelijke denken bindend.

Kuijt werkte samen waar dat kon en kreeg het daarom regelmatig aan de stok met predikanten. Dat bewijzen drie ordners van het Driestararchief. “Die bevatten de correspondentie van Kuijt, inclusief de doorslagen die hij bewaarde van de stukken van zijn hand. Daarmee was het goed mogelijk om verbanden tussen personen te leggen.”

Zo moest de oudgereformeerde ds. Everard du Marchie van Voorthuijsen zijn kerklid en eigenzinnige Driestardocent Barend Florijn meer dan eens tot kalmte manen. De relatie met een van de kerken in de rechterflank, de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, liep averij op. De kerk splitste zich in 1953 af van de Gereformeerde Gemeenten. Predikant en voorman ds. Cornelis Steenblok was voor 1953 al vaak afwezig bij vergaderingen. Hoewel de groep-Steenblok uitgenodigd werd bestuurlijk te participeren, weigerde ze toe te treden. “De kerk vond in die tijd De Driestar qua identiteit te breed. Ook in later jaren heeft ze daaraan vastgehouden.” Ook de verhoudingen met de Gereformeerde Bond waren in de jaren vijftig moeizaam, zeker toen De Driestar en de onderwijzersopleiding in Ede concurreerden om overheidserkenning.

Driestar als oefenplaats

De Driestar heeft uiteindelijk de toon gezet voor de inrichting van de reformatorische zuil, betoogt Exalto. “De instelling wist kerken bestuurlijk te betrekken bij de school. Voor leerlingen maar ook bestuursleden was het een oefenplaats waar geleerd werd hoe men vanuit verschillende kerken met elkaar kon omgaan. Dat leverde in de jaren vijftig wat strubbelingen op, maar in de jaren zestig werd dat normaal gevonden.”

Van emancipatie van de bevindelijk gereformeerden in de lijn van het proefschrift van Chris Janse wil de Amsterdamse historicus niet spreken. “Janse hanteert een soort neo-marxistisch emancipatiebegrip: alsof emancipatie betekent dat men streeft naar een even gelijkwaardige positie als de rest van de samenleving.” In navolging van de Franse filosoof Jacques Rancière interpreteert hij de Driestargeschiedenis als een proces van bewustwording, waarbij de bevindelijk gereformeerden een eigen plaats verwierven in de samenleving. “Bovendien persisteren de gereformeerden niet bij hun identiteit. Kersten articuleerde zijn eigen positie. Identiteit wordt telkens opnieuw uitgevonden.”

Bron Transparant

Bron Transparant

De relatie tussen zuil en De Driestar is na 1975 anders geworden. Over de periode na 1975 verschijnt in 2014 een boek. “De zuil is een verbeelde gemeenschap die tussen onze oren zit. Het is tegenwoordig de trend bij opinieleiders om het instituut kerk heel centraal te stellen. Maar in de geschiedenis van De Driestar zie je dat één kerk nooit een school overeind kan houden. Verder heeft De Driestar zich nooit al te sterk gelabeld aan de zuil. De school heeft altijd iets breder willen blijven.”

Dat typeert de praktische geest van Kuijt. Hij schreef in 1971, de pensioengerechtigde leeftijd genaderd, over het grote doel van de school. Wat blijft het grote doel? In ieder geval niet eenvoudigweg conformeren aan oude zeden en gewoonten en aan de geoorloofde groepsnormen in reformatorische kring, betoogde Kuijt. “Neen! Het gaat er in het gezin, in onze scholen om doelbewust, doelgericht, planmatig werkzaam te zijn en daarin te voldoen aan criteria, aan beginselen, die de Heere ons in Zijn Woord heeft geopenbaard.” Over die beginselen dient niet eindeloos gepraat en geschreven te worden. Men moet ze “actief gebruiken in de bepaling van de koers, die wij kiezen in de opvoeding van onze kinderen en in het onderwijs en de opvoeding in onze scholen”.

N.a.v. John Exalto, Wordt een heer! Kweekschool De Driestar en de emancipatie van de bevindelijk gereformeerden, Heerenveen: Groen 2012, 544 blz., € 19,95, ISBN 978 90 8897 049 8.

Up ↑

Share on FacebookShare on LinkedInTweet about this on TwitterShare on Google+Email this to someonePrint this page

Comments are closed.