Het uur der minne is verdwenen

Door in Geschiedenis op 27 maart 2015

Digital humanities begint een modewoord te worden op universiteiten. Nadat neerlandici en oudtestamentici digitale programma’s gebruikten om teksten te fileren, volgen nu historici. Afgelopen jaar werden de eerste symposia georganiseerd zoals aan de Vrije Universiteit door Fred van Lieburg over God in Nederland 3.0. Maar wat levert dit nieuwe perspectief op? Tijd voor een onderzoekje in Digibron, de archiefbank van de gereformeerde gezindte.

Toen ik vanaf 2003 geschiedenis studeerde aan de Universiteit Leiden, kwam ik op mijn studentenvereniging C.S.F.R. (opnieuw) in aanraking met bevindelijk taalgebruik. Op de Leidse C.S.F.R.-afdeling Panoplia werden regelmatig oude bevindelijke woorden van stal gehaald om de lachers op de hand te krijgen. Termen als het stondetje der minne hadden voor studenten niet meer de betekenis die leden van bevindelijke kerkverbanden er vroeger aan gaven. Ze kenden de bevindelijke codetaal nog wel maar konden er niet meer mee uit de voeten voor het eigen geloof.

Bron WordItOut

Bron WordItOut

Welke betekenis had dit liefdesuurtje in bevindelijke kringen dan wel? Met het stondetje der minne wordt over het algemeen de bekering aangeduid, het moment waarop de mens voor het eerst écht gelooft in God. Het begrip “tijd der minne” is terug te vinden in het Bijbelboek Ezechiël (16:9). Via predikanten en theologen uit de Nadere Reformatie zoals Bernardus Smytegelt is het begrip in ingeburgerd in de kleine gereformeerde kerkverbanden.

Nadruk op bekering en beleving daarvan staat centraal binnen de Gereformeerde Gemeenten en aanverwante kerkgenootschappen. De bekeringsterm ‘stondetje der minne’ is een topos in de bevindelijke geloofstaal. Deze term als zoekterm gebruiken is voor een klein onderzoekje in Digibron handig. Vervolgens beperk ik mij tot De Saambinder, het blad van de Gereformeerde Gemeenten waar de ‘tale Kanaäns’ veelvuldig gebezigd wordt. Met ruim negentig jaargangen bestrijkt dit tijdschrift in Digibron een behoorlijke periode en valt ook de vooroorlogse periode binnen het bestek van het onderzoek.

Hoogconjunctuur

Wie het woord minne of andere (delen van) bevindelijk woorden intikt in Digibron ontdekt dat bijna alle begrippen afnemen door de jaren heen. Uit de 200 artikelen waarin de ure, uurtje, uur, tijd of stondeke van of der minne is te vinden, springen de jaren vijftig eruit met 58 hits.[1] Tussen 1930 en 1990 blijft het steken op zo’n 20 treffers per decennium. Voor en na die periode neemt dat aantal snel af.

Een hoogconjunctuur voor de jaren vijftig dus. Vast staat dat twee scribenten (M. d. W. en B. v. D.) deze term in die jaren relatief veel gebruikten, beiden zo’n tien keer. Dat het gebruik van andere bevindelijke termen vaak voorkwam tussen de jaren vijftig en tachtig suggereert dat de Gereformeerde Gemeenten na vaststelling van de leer in 1931 steeds meer behoefte kregen aan versterking van de identiteit door een eigen taal.

Om de betekenisgeving van de ure der minne te onderzoeken, is het digitale programma TextSTAT gebruikt. Het concordantieprogramma biedt de mogelijkheid (web)teksten te verzamelen in een corpus en te onderzoeken. Ervan uitgaande dat woorden in een verband staan, stelde ik een marge van 150 woorden rondom het zoekwoord in.

Zoete tijd

In de beginjaren van De Saambinder, in de jaren twintig, had de tijd der minne nog de betekenis van bekering, vaak aangeduid met de metafoor van “levendmaking” uit de dood, waarna de zielen God kunnen ‘vergasten op de blijken van hun innige liefde, trouw en aanhankelijkheid.’[2]

Eind jaren twintig ontstond uit een theologisch dispuut de Leeruitspraken van 1931. De “zoete tijd” en een “zaliger ure” verdween.[3] Onze zoekterm stond steeds vaker tussen objectief-theologische begrippen ingeklemd. De stijl van schrijven werd beschrijvend over zielstoestanden, in plaats van pastoraal zoals in de gesprekken van Bart en Kees, een artikelenserie in de jaren twintig waarin Gijsbertus van Reenen deze term gebruikte.

In de Leeruitspraken staat dat het genadeverbond het verbond is “met de uitverkoornen, die in den tijd der minne in het Verbond worden ingelijfd.” Voor die tijd zijn ze “kinderen der duisternis, des toorns, des duivels, der vervloeking, vervreemd van het burgerschap Israëls, vreemdelingen van de verbonden der belofte, zonder God in de wereld, buiten Christus, – geen hoop hebbende.”[4] Ze moeten “gearresteerd”[5] worden door de Heilige Geest, gered uit de “klauwen des satans”.

Panelen begonnen te schuiven met ‘1931’. Langzaam kwam de term ‘uur der minne en des welbehagens’ in zwang. Het uur der minne dat eerst de betekenis had van bekering en de ervaring ervan, krijgt dan ook de betekenis van wedergeboorte, als God in zijn ‘welbehagen’ besluit iemand zalig te maken.[6] Het uurtje der minne is een “uurtje van eeuwigheid bepaald”.[7]

Dat het van eeuwigheid werd bepaald had tot gevolg dat geloofservaringen nauwelijks werden gekoppeld aan veranderingen in de mens zelf. Over het bekeringsmoment werd in 1950 geschreven: “Deze juridische of rechterlijke daad werkt, op zichzelf genomen, geen inwendige verandering.”[8] Het ervaren van Gods besluit tot bekering was wel legitiem. “O, volk van God, dat uw ziele in het vrije welbehagen Gods wegzinke.”[9] Het godsbesluit stond vast, maar de ervaring ervan was tijdelijk. Maar ook het gemis van deze ervaring kreeg status. “In zulker hart wordt een innige, geestelijke, gevoelige droefheid geboren, over het gemis van ’s Heeren gunst en gemeenschap.”[10] De koppeling van het uur der minne met zondebesef als bekeringservaring was dan ook snel gemaakt. “Gods Geest komt de uitverkorenen in het uur der minne van hun zonde te overtuigen”, en ze kennen God als rechter, al blijft hij een “goed en goeddoend God”.[11] Beminnen kreeg kortom een andere betekenis.

In de jaren zeventig en tachtig was er weer ruimte voor het minnen, waarin God niet alleen rechtspreekt over zonden, maar ook vergeeft en troost. Als “Hij wast en wij minder worden, en wij zoeken in alles Zijn heilige wil te verstaan, dan eerst zal er drang in ons zijn, om het voor aller oor uit te roepen, dat Hij, en Hij alleen, de liefde heeft van ons hart. Er zijn wel kinderen Gods, die dat ervaren. In de tijd der minne, in de dagen der eerste liefde, als voor het eerst het ritselen des levens wordt vernomen in het hart, en er een zich geheel overgeven is aan de liefde.”[12] Scribenten begonnen bovendien vaker hun lezers aan te spreken op een inclusieve wijze. Ze schreven minder vaak over hij, zij of hen die het uur der minne meemaakten, maar over u, wij en ons.

Kortom, de betekenis van de bekeringsterm, die wij als zoekterm in Digibron gebruiken, verschoof van een nog niet nauwkeurig omschreven fijne Godservaring naar een ervaring van de wedergeboorte om later verrijkt te worden met de ervaring van de bekering, de bewuste rechtvaardiging.

Vanaf de jaren zestig en zeker aan het eind van de eeuw dook het begrip ook op een andere manier op in de kolommen van het kerkelijke tijdschrift. Stukken van overleden predikanten zoals van oprichter Gerrit Kersten werden gepubliceerd. Blijkbaar kreeg het verleden een herwaardering, zonder overigens de stukken in een historische context te plaatsen. Sowieso nam in de laatste twee decennia van de vorige eeuw de aandacht voor het verleden toe in deze kringen met de herdruk van “oudvaders”, de oprichting van organisaties als de Stichting Studie Nadere Reformatie in 1983 of de publicatie van kerkhistorische bladen als Oude Paden, waarvan het eerste nummer verscheen in 1996.

Taalverlies

Het bevindelijke taalgebruik werd in de bevindelijk gereformeerde kringen onderwerp van gesprek na de dissertatie van neerlandicus Cornelis van de Ketterij in 1972.[13] Het speciale taalgebruik was al buiten de kring ter discussie gesteld, maar nu begon de eigen kring hierop te reflecteren. Blijkbaar werd het steeds minder gewoon om deze taal te spreken. In 1985 noemde socioloog Chris Janse in zijn dissertatie religieus taalgebruik een van de kenmerken van de bevindelijk gereformeerde zuil. Maar het taalgebruik verliest bekendheid, meldde predikant Rinus Golverdingen vier jaar later.[14] In de laatste tien, twintig jaar wordt het trefwoord nauwelijks meer gebruikt door scribenten uit die tijd zelf. De houdbaarheidsdatum van klassiek bevindelijke woorden was bereikt. De betekenisverandering van de ure der minne toont aan dat de bevindelijke taal een levende taal is, althans was.

Dat uiteindelijk veel klassiek bevindelijk taalgebruik is verdwenen, koppelde historicus John Exalto in 2007 aan de uitbouw van de reformatorische zuil in de jaren zeventig. Gedragskenmerken werden belangrijker en de noodzaak van een uniforme manier van spreken over het geloof boette aan belang in. Voormannen binnen de zuil bekeken het taalverlies vanuit een theologische blik en klaagden dat er weinig geloof werd gevonden onder kerkleden.[15] Van de Ketterij waarschuwde destijds in een reactie op zijn boek dat als de bevindelijke woorden worden vervangen door nieuwe ook de theologie uit de Nadere Reformatie, die volgens hem met deze woorden samenhangen, in deze kringen begint te schuiven.[16]

Het valt echter niet te ontkennen dat de oproep tot bekering en de ervaring van bekering nog steeds een centrale boodschap is in de Gereformeerde Gemeenten. Blijkbaar hebben predikanten en andere scribenten van De Saambinder andere woorden gevonden om hun lezers te helpen hun geloofsstatus te doordenken en onder woorden te brengen. Een update van het boek van Van de Ketterij zou kunnen aantonen welke woorden vandaag de weg van het geloof uitdrukken. Want taal leeft, zelfs bevindelijke taal. De relatieve openheid binnen de reformatorische zuil van de laatste jaren zou erop kunnen wijzen dat er binnen een aantal orthodox-gereformeerde kerkverbanden een nieuwe, gedeelde taal is ontstaan.

Samenvattend: Digital humanities, het historisch onderzoek via computerprogramma’s, biedt historici de mogelijkheid om oneindig veel teksten met elkaar te vergelijken en daaraan allerlei conclusies te verbinden. Dat kon niet eerder op zo’n grote schaal. Wie zelf aan de slag wil, kan een aantal tools voor tekstonderzoek hier of hier vinden.

Dit artikel verscheen in een verkorte versie in Transparant, tijdschrift van de Vereniging van Christen-Historici, jaargang 26 nummer 1.


Noten:

 

[1] OCR-fouten in Digibron daargelaten.

[2] De Saambinder, 16 juni 1924. http://www.digibron.nl/search/detail/012ecba81737fc369897e961/bart-en-kees/1 (geraadpleegd 19-12-2014).

[3] Een enkele uitzondering daargelaten, zoals in De Saambinder, 12 december 1946. http://www.digibron.nl/search/detail/012e51dd6fc07b80489b197e/de-bruidskerk-van-christus/9. (geraadpleegd 22-12-2014).

[4] De Saambinder, 26 maart 1931. http://www.digibron.nl/search/detail/012ecbc2a5733f1e5a5a3f96/genadeverbond-en-uitverkiezing/0. (geraadpleegd 22-12-2014).

[5] De Saambinder, 9 februari 1950 http://www.digibron.nl/search/detail/012e52077fe77feda14a33ed/de-treurigen-sions-door-christus-zalig-gesproken/1 en 31 maart 1955 http://www.digibron.nl/search/detail/012e525a315c1885daef3c43/barend-en-johanna/38. (geraadpleegd 22-12-2014).

[6] Die gedachte bestrijden de predikanten M. Karens en A. Moerkerken in De Saambinder van 8 november 2001 en 22 januari 2004. http://www.digibron.nl/search/detail/b9e94fb87696a220c515d791cc6d52d1/lezers-vragen/2 en http://www.digibron.nl/search/detail/52826ec07321a4f7633575ba21cdfb54/waar-komt-het-vandaan/6. (geraadpleegd 19-12-2014). Ze verhelderen daarmee de Leeruitspraken van 1931, die over deze ‘tijd der minne’ niet duidelijk zijn.

[7] De Saambinder, 9 augustus 2012. http://www.digibron.nl/search/detail/93ede932e0dea60d0ba1dcd2f4346b95/comrie-dichterbij/1 (geraadpleegd 19-12-2014).

[8] De Saambinder, 26 oktober 1950. http://www.digibron.nl/search/detail/012e52127b26dca8c869c72f/de-heiligmaking/10. (geraadpleegd 22-12-2014).

[9] De Saambinder, 25 juni 1931. http://www.digibron.nl/search/detail/012ecbc3638365da72b72c01/jozua-de-ho-gepriester/2. (geraadpleegd 22-12-2014).

[10] De Saambinder, 16 februari 1950. http://www.digibron.nl/search/detail/012e5207d5b4bafa1a197cd6/de-treurigen-sions-door-christus-zalig-gesproken/2. (geraadpleegd 22-12-2014).

[11] De Saambinder, 11 april 1963. http://www.digibron.nl/search/detail/012e52d938ae4dc6ff49bc3b/de-zaligsprekingen/10. Zie ook De Saambinder, 17 oktober 1945. http://www.digibron.nl/search/detail/012e51d535cc424a9306bd2f/nabij-god-te-zijn/5.  (geraadpleegd 22-12-2014).

[12] De Saambinder, 29 maart 2001. http://www.digibron.nl/search/detail/2780cf2360d517f08eea987ee261112a/borgtochtelijk-spreken/1. (geraadpleegd 19-12-2014).

[13] C. van de Ketterij, De weg in woorden, een systematische beschrijving van piëtistisch woordgebruik na 1900 (Assen 1972).

[14] Goede tale Kanaäns is Schriftgebonden, Gesprek met ds. M. Golverdingen over kerkelijk taalgebruik, in: Daniël, (21 juli 1989) p.10-15 aldaar p. 13. http://www.digibron.nl/search/detail/012f0c5eb0105499677fa53b/goede-tale-kana-ns-is-schriftgebonden/10. (geraadpleegd 19-12-2014).

[15] J. Exalto, Welkom in de strijd, Dynamiek en desintegratie van de bevindelijk gereformeerde narratieve gemeenschap, in: F.A. van Lieburg (red.), Refogeschiedenis in perspectief, Opstellen over de bevindelijke traditie (Heerenveen 2007) p. 92-117 aldaar p. 113-115.

[16] Bevindelijk woordgebruik van vóór de 20ste eeuw, in: Reformatorisch Dagblad (5 oktober 1973), p. 10. http://www.digibron.nl/search/detail/012ea73d5aeb56590cab527c/bevindelijk-woordgebruik-van-v-r-de-ste-eeuw. (geraadpleegd 19-12-2014).

Share on FacebookShare on LinkedInTweet about this on TwitterShare on Google+Email this to someonePrint this page

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *