Nederlandse kerk plaatste zichzelf in jaren ’50 in de marge

Door in Geschiedenis op 18 augustus 2014
De Kolenkit in Amsterdam.

De Kolenkit in Amsterdam.

Wie even nadenkt over kerk en secularisatie in Nederland, komt al snel uit bij de massale kerkverlating vanaf de jaren ’60 van de vorige eeuw. Hoe is dat verval ontstaan? Schrijvers van de bundel ‘In de vergifkast’?, protestantse organisaties tussen kerk en wereld geven een verrassend antwoord.

In de jaren ’50 zijn in de protestantse kerken belangrijke wissels omgegaan die meer licht kunnen werpen op de kerkverlating van de daaropvolgende decennia, zo betogen acht historici die hebben meegewerkt aan het nieuwe “jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme na 1800”. Met het boek willen ze het gangbare beeld in de geschiedliteratuur ongedaan maken, als zouden vernieuwingen op kerkelijk terrein in dat decennium weinig om het lijf hebben gehad.

Moreel kompas

De protestantse kerken kampten in het interbellum met een identiteitscrisis. De verzorgingsstaat stond in de kinderschoenen en dat betekende dat de maatschappelijke rol van de kerken, zoals zichtbaar in het diaconaat, uitgespeeld raakte. De kerk was er niet rouwig om. De diaconieën konden de financiële lasten van de zorg bijna niet meer dragen. Bovendien wisten goede waarnemers wel dat de kerkverlating al was begonnen. Sinds het eind van de negentiende eeuw steeg het aantal Nederlanders gestaag dat zich niet rekende tot een van de kerken.

Maar welk profiel moesten kerken zich dan aanmeten? In de Tweede Wereldoorlog hervonden de Nederlandse kerken hun plek in de samenleving. De meeste kerken stimuleerden via kanselboodschappen of op een andere manier het verzet tegen de Duitse bezetter. Grote protestantse kerken als de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland beseften toen wat hun rol in de naoorlogse tijd moest zijn: laat kerken een moreel kompas zijn voor de samenleving.

De Kolenkit in Amsterdam. Bron: Wikimedia

De Kolenkit in Amsterdam.

Er is een verband tussen dat besluit en het verval van de kerken in de daaropvolgende decennia, betogen de schrijvers. Een uiterst zelfbewuste kerk zag het als haar roeping gids te zijn voor de samenleving en zo haar taak als ‘volkskerk’ te volbrengen. Maar Nederlanders bleken dat te ervaren als betuttelend, oordelend en afstandelijk. Daarmee plaatste de kerk zichzelf ongewild en onbedoeld in de marge.

Geen verzuiling

Onder invloed van de toen beroemde Zwitserse theoloog Karl Barth (1886-1968; afbeelding) vonden de kerken dat ze voorzichtig moesten zijn met het brengen van een zwaar-christelijke boodschap. Volgens historicus Bram Mellink had Barth bekendheid verworven met de stelling dat “de heerschappij van Christus (…) werkelijk de heerschappij van Christus” was:

Barth bedoelde daarmee ook dat gelovigen God niet voor hun karretje mochten spannen. Het etiket ‘christelijke politiek’ of ‘christelijk onderwijs’ verwierp hij daarom: christelijk gedrag betekende een aanhoudende zoektocht naar God, waarbij het individuele geweten een cruciale rol speelde. Uiteindelijk velde God daarover het oordeel. Het zou daarom ronduit aanmatigend zijn als mensen hun eigen, aardse organisaties als christelijk betitelden.

Barths opvatting werd gul onthaald door Nederlandse theologen. Christelijke organisatievorming, zoals zichtbaar in christelijke politieke partijen of zorginstellingen, kwam in een kwaad daglicht te staan. De grote protestantse kerken schamperden over de verzuiling en wilden die tijd zo snel mogelijk achter zich laten. Het ging immers om het geloof van het individu en dienstbaarheid aan de hele samenleving. Het is niet verwonderlijk dat het niet meer boterde tussen kerk en christelijke organisatie. Die voelde zich “in de vergifkast” gezet. De kerk verloor zo haar ‘ogen’ en ‘oren’ in de samenleving.

Christelijke organisaties voelden zich op hun beurt ook aangesproken door Barth. Hun werk bleef hetzelfde maar ze probeerden hun christelijke boodschap te neutraliseren. Toen organisaties een professionaliseringsslag doormaakten en de overheid haar invloed opeiste na subsidieverstrekkingen verloren ze allengs hun ideologische veren. Kerk en christendom raakten bij de samenleving uit beeld.

Ook strikt kerkelijke organisaties voor maatschappelijk werk probeerden hun christelijke visie te camoufleren. De diaconie had concrete materiële hulp ingewisseld voor immateriële taken en leende zich regelmatig voor tegendraadse boodschappen over vrede, opkomen voor armen en uitbannen van onrecht. Dat was volgens theoloog Hans Hoekendijk (1912-1975; afbeelding) de taak van de diaconie: “Correctief in de samenleving ingrijpen.” Conservatieve theologen en kerkleden waren het daar niet mee eens, maar dat bleef een binnenkerkelijke discussie. Het kerkelijk jargon van de behoudende kerkelijke groepen was nauwelijks verstaanbaar voor de gemiddelde Nederlander.

Kerk op ramkoers

Blijft ten slotte een laatste vraag over. Heeft de kerk door haar houding bijgedragen aan de secularisatie? Historicus George Harinck waakt voor een strak oorzakelijk verband. “De protestantse kerkverlating in de jaren zestig en zeventig is dus voorafgegaan door een afwijzing van diezelfde samenleving door de kerken.”

Maar al uitte de kerk zich in officiële kanalen als een moraalridder, wie weet of het kerkvolk van de jaren ’50 zich daaraan stoorde? Heeft het om die reden in de jaren ’60 en ’70 de kerk vaarwel gezegd? En konden christelijke organisaties, die doorgaans wel een uitstekend netwerk in de maatschappij hadden opgebouwd, die opvatting niet nuanceren?

Terecht wijzen de historici er op dat nader onderzoek moet worden gedaan tussen die houding en de forse ontkerkelijking in de jaren ’60 en ’70. Een vergelijking met andere christelijke kerken, zoals de Rooms-Katholieke Kerk, of een internationale vergelijking van kerken in naoorlogse tijd zou ook helpen. Het boek stelt de lens scherp op het eigen karakter van de grote protestantse kerken in de jaren ’50. Zelfbewust trok de kerk de profetenmantel aan, als de manier om zich open te stellen voor de samenleving. Die trok dat echter niet, zodat de kerk op ramkoers de jaren ’60 binnenzeilde.

George Harinck & Paul van Trigt (red.), ‘In de vergifkast’? protestantse organisaties tussen kerk en wereld, Zoetermeer: Uitgeverij Meinema 2013, 174 blz., €18,90, ISBN 978 90 2114 352 1

Dit artikel verscheen onlangs op Historiek, een online geschiedenismagazine.

Up ↑

Share on FacebookShare on LinkedInTweet about this on TwitterShare on Google+Email this to someonePrint this page

Comments are closed.