Psalmen laten zien wat er in het hart leeft

Door in Geschiedenis op 20 september 2017

De -inmiddels gesloopte- Prins Mauritsschool aan de Irenelaan in Dirksland. Bron Eilandennieuws, 1991 (krantenbankzeeland.nl)

Wie herinnert zich het eerste psalmvers dat hij moest leren op de basisschool? Voor mij was dat, inmiddels ruim 25 jaar geleden, Psalm 6:9. Ik ben het nooit meer vergeten.


In de kerk worden veel psalmen gezongen, maar ook veel niet. Voorgangers geven slechts de helft van de psalmen op, blijkt in 2002 bij het napluizen van psalmenbriefjes uit dertig gemeenten. Psalm 55 bungelt onderaan: niet één keer prijkte die op het psalmbord, meldt een Veluws onderzoekje uit 2009.

Met psalmen kun je zien wat er leeft in het hart van Gods volk, zegt men wel. Ook in bekeringsgeschiedenissen –onder bevindelijk gereformeerden in de negentiende en twintigste eeuw een geliefde manier om het geloof door te geven– worden vaak berijmde psalmen geciteerd.

Een zoektochtje in zo’n twintig traktaten leverde het volgende op: ”Zijn machtig’ arm beschermt de vromen” (Psalm 33:10) vertolkte het vaakst wat er leefde in het hart, gevolgd door 17:8, 36:2, 89:8 en 103:1 en 7.

Kijken we naar de psalmen –los van de afzonderlijke versen– dan levert dat een ander beeld op. De psalmverzen van 103 en 116 staan bovenaan, bij uitstek lofpsalmen na verdrukking. Daarna volgen Psalm 33, 38, 66, 68, 72 en 89. Mijn basisschoolpsalm wordt ook een paar keer opgeschreven, wat gezien de tekst niet verwonderlijk is.

Hadden deze vrome schrijvers, net als veel gemeenten nu, ook een dun psalmbijbeltje? Niet per se. Niet alle psalmen passen in een bekeringsbeschrijving. Verhaspelingen in versregels duiden er bovendien op dat ze uit het hoofd zijn neergepend. Over Gerrit van Doesburg wordt vermeld „dat hij zeer vele psalmen van buiten kende, hetwelk hem door ’s Heeren Geest, zoo zeer ter vertroosting op zijn smartelijk leger versterkt heeft.”

En ze kenden meer dan alleen psalmen. Zeker in de negentiende eeuw zaten ook verzen van Lodenstein, Groenewegen en een enkel gedicht van Hiëronymus van Alphen in het geheugen. De boodschap was vaak het verlangen naar de hemel. „O, o, dood, mijn blijde boo!/ Gij legt mijn lichaam in het stof,/ mijn ziel gaat op naar ’t hemelhof./ O, o, dood, mijn blijde boo!”

Het zijn dus niet alleen psalmen, maar ook geestelijke liederen die de mensen warm maakten vanbinnen. Van Doesburg, overleden in 1849, en Cornelia Ruit, die in 1986 overleed, noemden met ere hetzelfde lied uit hun jeugd (waarvan ik de melodie helaas niet ken). Wat je als klein kind leert zingen, vergeet je blijkbaar nooit meer. Voor Ruit was het „een lievelingsversje, wat moeder met ons als kinderen zong”:

Ik was een kindje klein en teer,

Dat weinig kracht bezit.

Ik zou zo graag gelukkig zijn

Maar ach, hoe word ik dit?

Ach lieve Jezus, geef mij raad,

En onderricht mij dan.

Hoe dat ik van de zonde vrij

En zalig worden kan.

 

Dit is een aflevering uit de kerkhistorische rubriek ‘Kerkhistorie met een knipoog’ van het Reformatorisch Dagblad. Deze column verscheen in augustus 2017.

Link RD

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *