Staan in de kerk

Door in Geschiedenis op 31 maart 2017

Dr. K.H. Miskotte. Bron Wikimedia Commons

Een goede preek brengt kerkgangers in beweging. Door genade keert de mens terug naar God.

Toch staat dat haaks op de inrichting van de dienst: een voor sommigen zware exercitie in drie kwartier stilzitten – en dan hebben we het alleen nog over de preek. Niet alleen kinderen hebben het moeilijk met luisteren, nog los van de dagelijkse portie bééldcultuur die ze verorberen via hun smartphone.

Ook ouderen gaat het niet altijd gemakkelijk af. Een starende blik of gesloten ogen verraden de verstarde luisteraar. Zijn gedachten bewegen zich nog slechts ver buiten het kerkgebouw of zijn tot stilstand gebracht door de slaap.

Afwisseling, als synoniem voor beweging, houdt de aandacht bij de preek. Daarom is er al lange tijd een kentering gaande in de predikkunde. De aandacht is verbreed van de predikant die het Woord verkondigt naar de luisteraar die het Woord ontvangt.

Sommige gemeenten hebben daarom wijzigingen aangebracht in de liturgie. Je hoeft dan niet te denken aan dansen in de kerk. Van Ruler (1908-1970) schreef in ”Waarom zou ik naar de kerk gaan” (1967) in een vergelijking met Afrikaanse kerkdiensten dat de dienst dan „een wilde bende” zou worden: „Ligt dat aan onze Germaanse zwaarmoedigheid?” Maar ondertussen is in veel gemeenten de preek korter geworden en wordt er meer gezongen. Soms is de beamer het kerkgebouw binnengebracht, geeft een kerkganger een persoonlijk getuigenis en heeft het statige orgel zijn dominante positie verloren.

Dr. A.A. van Ruler. Bron Catalogus Professorum

Hernieuwde aandacht voor beweging zal ook te maken hebben met de steeds strakker geworden liturgieën. Dat was vroeger wel anders, ook in reformatorische kerken. Wie hoort nog het geruis door de kerk voor en na het gebed?

Staand bidden raakt echter steeds meer uit de gratie. Maar wie staat, is paraat. Dat kan van de dommelende bankzitter niet worden gezegd. Wie ziet bovendien nog iemand blij of emotioneel worden in een dienst? Gevoelens worden vakkundig weggestopt achter een onbewogen gezicht. De enige beweging die uiteindelijk werd gedoogd en later toegestaan, is die van schrijvende handen in notitieblokjes.

De hervormde theoloog Miskotte (1894-1976) beschrijft met een mengeling van humor en ernst in zijn boek ”Om de waarheid te zeggen” nog zo’n afwisseling op drie kwartier luisteren.

Hij verhaalt over ene collega Wagenaar uit Rotterdam, die zich herinnerde dat tijdens de christelijke gereformeerde dienst bij zijn vader „mensen gingen opstaan, wanneer zij in de toepassing zich aangesproken achtten, als overtuigden, bekommerden, zwakgelovigen, ingeleiden of bevestigden.”

Als jongen had hij toen zijn vader eens gevraagd of het geen misverstand kon wekken dat vader aan één stuk stónd? „Och neen”, zei toen de oude Wagenaar, „dat komt precies uit, want ik ben dat allemaal tegelijk.”

Dit is een aflevering uit de kerkhistorische rubriek ‘Kerkhistorie met een knipoog’ van het Reformatorisch Dagblad. Deze column verscheen in maart 2017.
Link RD
Link Digibron 

Share on FacebookShare on LinkedInTweet about this on TwitterShare on Google+Email this to someonePrint this page

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *