Vraag: „Wat zijt gij, lief meisje?”

Door in Geschiedenis op 2 januari 2019

Het ”Voorbeeld der goddelijke waarheden” is herzien, stond een dezer dagen in de krant. Niet de waarheden zelf natuurlijk, het catechisatieboekje van Hellenbroek wordt taalkundig opgefrist en voorzien van extra uitleg.

Ds. Abraham Hellenbroek. Bron Wikimedia Commons

Af en toe ging in het verleden ook al de stofkam door het boekje. Zo leerde ik eerst dat we God leren kennen „uit de natuur en schriftuur”, de eerste vraag van ‘Hellenbroek’. In de nieuwere druk een paar jaar later was dat „uit de natuur en de Heilige Schrift” geworden. De gemakkelijk te leren eindrijm was geschrapt ten gunste van een helder antwoord.

Moet het geloof opnieuw worden verwoord of hoeft het oude goud van Hellenbroek slechts af en toe opgepoetst te worden? In de negentiende eeuw moest Hellenbroeks populaire vragenboekje het in ieder geval opnemen tegen tientallen andere catechisatiemethodes. Zo eiste de Nederlandse Hervormde Kerk dat nieuwe leden naast oprecht geloof ook „genoegzame kennis” bezaten van Bijbel en kerkgeschiedenis. Een vracht aan catechisatieboekjes is in die tijd op de markt verschenen.

Een pareltje is ”Het kleine christen meisje” uit 1834 van César Malan, een van de voormannen binnen het Reveil. Het vragenboekje blinkt uit in helderheid, brengt de inhoud dichtbij door de ik-vorm en begint bijna poëtisch. „Vraag. Wat zijt gij, lief meisje? Antwoord. Ik ben een kind. Voor enige jaren leefde ik nog niet, en nu ben ik in de wereld.”

Ondanks alle boekjes leverde de catechese soms maar bar weinig op. Ds. Lucas Egeling (1764-1835) waarschuwt in zijn vaak herdrukte ”Vraagboekje”: „Gij zult dus leren met opmerkzaamheid de catechisatiën bij te wonen, en bespeuren, dat een goed catechisant, niet alleen de opgegevene les van buiten leert, maar ook hoort naar hetgeen daarbij tot verklaring gezegd wordt.”

Bovendien vertoefden catecheten of predikanten soms liever in een eigen gedachtewereld, buiten de Bijbel om. Van Jacoba Martha van Oordt uit de omgeving Rotterdam is een catechisatieboekje bekend, waarin ze in 1827 haar lessen neerpende. „Weten wij iets van zijne uiterlijke gestalte”, schrijft ze over Jezus. Haar antwoord: „Hij had een sterk en gezond lichaam, een minzaam voorkomen, hellenisch [?] en blijmoedigheid las men in zijn gelaat en dit was het uitwerksel van zijn geloof aan God.” Dat wordt lastig zoeken naar overeenkomsten met de aanstootgevende Man van smarten uit Jesaja 53.

Hoe dan ook, in de boekjes werd de lat hoog gelegd. Het vragenbundeltje ”In vogelvlucht” vliegt allesbehalve in rap tempo door de Bijbelse waarheden en kerkgeschiedenis heen. ”In vogelvlucht” is exemplarisch. Vrijwel alle opstellers koesterden grote liefde voor feiten, rijtjes, namen en uitgebreide Schriftverwijzingen. Men vond het niet meer dan normaal.

Het bekende catechisatieboekje van Hellenbroek is in 2017 vernieuwd. De afbeelding toont een uitgave uit de jaren ’80 en ’90.

De schrijver van de inleiding uit het boekje ”Christelijke lesjes voor jonge kinderen”, uit 1843, vermeldt laconiek: „Overigens is men, geloof ik, sedert lang van het denkbeeld teruggekomen, dat kinderen niets zouden mogen van buiten leren dan hetgeen zij volkomen begrijpen, en heeft men ingezien dat er ook in de opvoeding een tijd van zaaien is, verschillende van dien van ontwikkelen.”

Of je nu vragenboekjes als ‘Hellenbroek’ tekstueel aanpast of de inhoud vereenvoudigt: zó is het ook nog eens.

Dit is een aflevering uit de kerkhistorische rubriek ‘Kerkhistorie met een knipoog’ van het Reformatorisch Dagblad (link). Deze column verscheen in september 2017.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *