Wesseling, Van Deursen en de persoon van de historicus

Door in Geschiedenis op 11 juli 2014

Wesseling-De-man-die-nee-zeiEen geweldige tijd moet aanbreken als een historicus zijn carrière achter de rug heeft en het pensioen is aangebroken. De boeken dan nog geschreven moeten worden, krijgen iets lichtvoetigs. Al die jaren van geschiedbeoefening hebben kennis voortgebracht. Kennis die door hem is heengegaan en is samengesmolten tot een visie op het verleden. Het lijkt of de historicus zijn boek vanuit de losse pols schrijft, het slechts hoeft te vullen met aanwezige kennis en interpretaties. Saillante details vullen dan de laatste leemten op. Maar hoeveel vent mag een historisch-wetenschappelijk boek hebben om geen geweld te doen aan de vorm?

Een boek van een gepensioneerd historicus met aardige persoonlijke anekdotes is dat van Henk Wesseling over Charles de Gaulle. Ik kreeg het boek De man die nee zei in 2012. In dat jaar begon ik serieuze pogingen te doen om mijn kennis van de Franse taal, weggezakt na de middelbare school, op te krikken. Historische achtergronden over Frankrijk, nog wel van een historicus van mijn alma mater, waren warm welkom.

Wesseling is een Frankrijk-kenner. Een liefhebber zelfs. Maar zijn liefde mocht wachten tot zijn emeritaat. Daarna heeft hij zich met verve gewijd aan zijn favoriete land. In 2001 verscheen Frans met de Fransen, in 2004 Franser dan Frans en in 2006 Frankrijk in oorlog, 1870-1962.

Le plus illustre des Français

Opvallend genoeg heeft sinds de dood in 1970 van “Le plus illustre des Français” (uitspraak midden 20e eeuw) en “Le Plus Grand Français de tous les temps” (uitspraak uit 2005) nog geen Nederlands historicus zich gewaagd aan een biografie van hem, zo valt te concluderen uit een onderzoekje in catalogus Picarta. In de serie Kopstukken uit de Tweede Wereldoorlog verscheen een levensbeschrijving door Philippe Masson, vertaald uit het Engels. De Belgische zender BRT2 zond in 2001 een documentaire uit met als titel Oorlog en vrede met Charles de Gaulle. Na wat andere biografische publicaties (van Seeverens en Elsevier)  bleef het stil. Frankrijk is voor Nederland een vakantieland en voor luieren in de Ardèche is geen historische kennis van het land vereist.

Maar Wesseling verschafte Nederland in 2012 een biografie van De Gaulle. Archiefonderzoek liet hij daarvoor achterwege. Hij baseert zich op de grote hoeveelheid Franse literatuur en het kleinere getal Engelse en Duitse boeken die zijn verschenen over De Gaulle. Bovendien zijn de dagboeken van de generaal en andere documenten uit zijn archief publiek toegankelijk omdat ze zijn uitgegeven.

Historicus , cabaretier en taalacrobaat

Wesseling toont zich in het boek een historicus , cabaretier en taalacrobaat ineen. Die cabareteske manier van schrijven draagt soms een persoonlijke interpretatie van het verleden, soms lijkt het ook niet meer dan een persoonlijke, humoristische interpretatie. Zo schrijft Wesseling dat Fransen in eerste instantie weinig waardering konden opbrengen voor het Frankrijk dat De Gaulle na zijn dood achterliet.

Zo had iedereen iets te klagen behalve de boeren, die niets te klagen hadden maar toch klaagden omdat het nu eenmaal boeren waren. De meeste Fransen waren blij dat ze in de nieuwe president Pompidou geen buitengewone maar een gewone, ja een buitengewoon gewone Fransman als leider hadden gekregen, een man en geen superman. Alles was weer normaal. 1

Hier en daar verliest Wesseling in zijn vlotte schrijfstijl details en lijkt het verleden verhuld te worden in zijn lenige taalgebruik. Zo schrijft Wesseling als oorzaak van de crisis van Fashoda niets over de wens van de Britten om een handelsroute van Kaapstad naar Caïro op te zetten.

Na de opening van het Suezkanaal was Egypte voor Engeland van vitaal belang geworden en iedere bedreiging van Egypte werd dus gezien als een levensgroot gevaar. Aangezien Egypte, naar het bekende woord van Herodotus, ‘een geschenk van de Nijl’ is, betekende dit dat ook het hele stroomgebied van de Nijl onder Britse invloed moest staan. Daarom moesten de Fransen weg uit Fasjoda. 2

Toch worden de persoonlijke opvattingen van Wesseling en zijn eigen ervaringen met De Gaulle, zoals zijn bezoek aan het voormalige huis van De Gaulle in Colombey-les-Deux-Églises (hieronder), nergens te overheersend.

Grotere kaart weergeven

Meer common sense

Reizen zonder John van pensionado Geert Mak, om maar een voorbeeld te noemen, is wat dat betreft een stap verder. Mak beschrijft John Steinbeck en de Verenigde Staten aan de hand van zijn eigen reiservaringen over de route die Steinbeck ooit gereden heeft. Maar de taal is veel prozaïscher, over scheuren in het verouderde asfalt en zwiepende ruitenwissers in de middagregen, enzovoorts. Feiteninterpretaties en eigen ervaringen mengen zoveel dat het als wetenschappelijk boek over de geschiedenis van Steinbeck of van Amerika niet zo geschikt is. Maar dat zal ook niet de bedoeling van Mak zijn geweest.

Een ander voorbeeld. Het laatste boek van Arie van Deursen, die niets liever deed dan onderzoek doen in het archief, heeft ook veel kleur gekregen. Althans: minder zwaar gevuld met historisch materiaal, zijn reconstructie van de geschiedenis van Katwijk aan Zee is meer persoonlijk ook. Net als bij Wesseling blijven onderzoek en persoonlijke visies goed te scheiden.

Waarom valt niemand over de persoonlijke interpretaties van Wesseling en waarom worden die van Van Deursen bijna collectief afgekeurd in de Nederlandse geschiedschrijving? Wellicht zal Van Deursen door zijn christelijke achtergrond de neiging hebben gehad om te speuren naar een samenhangend wereldbeeld bij personen uit het verleden. Wesseling laat dan meer de toevallige samenloop van omstandigheden ruimte, heeft begrip voor het eclectische, stelt daarover minder vaak de waarom-vraag. En dat is uiteindelijk meer common sense. Neem deze opvatting over het geloof van De Gaulle. Voor mij  is het een platte beschrijving. Ik zou graag meer willen weten waarom hij zo geloofde en de citaten kritischer duiden.

Dat De Gaulle een godsdienstig man was, lag voor de hand. Zijn vader was een vroom en godsdienstig man geweest, leraar bij de jezuïeten, zijn moeder zelfs lichtelijk godsdienstwaanzinnig. Maar was hij ook een gelovig man? Volgens Jacques Soustelle zou hij tijdens de oorlog eens tegen hem gezegd hebben: ‘Ik geloof in niets. De katholieke godsdienst is deel van de politieke structuur van Frankrijk.’ Ook zou hij eens tegen een vertrouweling hebben gezegd: ‘Ik ben een praktiserend gelovige om allerlei redenen: familieredenen en filosofische, historische, geografische en sociale redenen.’ Hij stuurde het eerste exemplaar van zijn Mémoires de guerre naar de paus.3

Zo bezien beschrijft Wesseling zichzelf misschien wel het sterkst in het citaat van De Gaulle op de laatste bladzijde van het boek. Het gaat over het religieuze in de alledaagsheid der dingen. Dat is uiteindelijk veel algemener aanvaard dan Van Deursens opvattingen. De Gaulle:

Dit is mijn woning. In het tumult van mensen en gebeurtenissen was de eenzaamheid voor mij altijd een verlokking. Nu is zij mijn vriendin. […] Stilte vult het huis. Vanuit de hoekkamer, waarin ik de meeste uren van de dag doorbreng, zie ik de verten van het westen. Vijftien kilometers ver is geen gebouw te zien. Over de vlakte en de bossen volgt mijn blik de lange glooiingen, die afdalen naar de vallei van de Aube, daarna de hellingen ertegenover bestijgen. Vanaf een hooggelegen punt in de tuin overzie ik de wilde diepten, waar de gronden worden ingesloten door het bos, gelijk een kaap door de zee. En als ik hierop naar de sterren zie, dringt zich de onbeduidendheid der dingen aan mij op. […] Dan doortrekt mij een geheimzinnige vertroosting. Omdat alles opnieuw begint, zal hetgeen ik heb gedaan vroeger of later een bron zijn van nieuwe ijver, nadat ik zal zijn verdwenen. 4

Henk Wesseling, De man die nee zei, Charles de Gaulle, 1890-1970, Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker 2012 (6e druk), 317 blz., € 15,00, ISBN 978 90 351 3660 1

Up ↑

Share on FacebookShare on LinkedInTweet about this on TwitterShare on Google+Email this to someonePrint this page
  1. H.L. Wesseling, De man die nee zei, Charles de Gaulle 1890-1970 (Amsterdam 2012) p. 290-291.
  2. H.L. Wesseling, De man die nee zei, Charles de Gaulle 1890-1970 (Amsterdam 2012) p. 30.
  3. H.L. Wesseling, De man die nee zei, Charles de Gaulle 1890-1970 (Amsterdam 2012) p. 173
  4. H.L. Wesseling, De man die nee zei, Charles de Gaulle 1890-1970 (Amsterdam 2012) p. 294.

Comments are closed.