Antiheld bij Tim Krabbé laat het goede zien

Door in Literatuur op 26 november 2015

Recensie: Tim Krabbé, Vertraging

Vertraging-Tim-Krabb-3635776kopie In Vertraging van Tim Krabbé, verschenen in 1994, lijkt religie ver weg. De jeugdliefde tussen Jacques Bekker en Moniek Ilegems, beiden eind veertig, begin vijftig, bloeit op al vluchtend over de verlaten wegen van Australië. In flashbacks ontdekt de lezer hun liefde van dertig jaar geleden tussen de hotels van Oostende en Monieks kantoor in Brussel. In het landschap van beide werelddelen is kerk noch kruis te bekennen. Geen de twee hoofdpersonen slaat de blik ten hemel of prevelt desnoods een schietgebedje. Alleen de rauwe roep om verdoemenis weerklinkt als dissonant. Toch is religie niet helemaal weggepoetst in het boek.

Deze aflevering is onderdeel van de serie Religie in de Nederlandse literatuur.

 

Liefde is onmogelijk

Jacques wordt door Krabbé (1943) neergezet als een naïeve, bangige sukkel. Althans, zo praat Moniek over hem en hij worstelt zich niet echt onder dat imago uit. Jacques komt als tiener van Amsterdam in Oostende terecht, waar hij verliefd wordt op Christa, een wat ingetogen meisje met half romantische half preutse ideeën over liefde. Een prima partner voor de karakterologisch vlakke Jacques, ware het niet dat zijn stuiterende hormonen als tiener in de weg zitten. Bovendien verschijnt er een kaper op de kust. Christa vertelt aan haar vriendin Moniek over Jacques, waarop Moniek hem probeert te versieren en vervolgens helemaal inpalmt.

Een onstuimige relatie begint, waarbij Moniek niet duidelijk maakt of liefde voor haar spel is of ernst. Als Jacques haar dertig jaar later weer ontmoet in Australië en zijn stabiele relatie met Sonja opgeeft, gaat het op dezelfde voet verder. Jacques voelt het dilemma: gebruikt zij hem of is er echt liefde in het spel? Voor beide opvattingen kan hij verklaringen bedenken. Of echte liefde mogelijk is, is het thema van het boek.

 

Moord op Eileen

Neem het ultieme voorbeeld: de moord op Eileen. Moniek en Jacques vluchten door Australië om uit handen van de politie te blijven vanwege de enorme financiële fraudepraktijken van Moniek en haar kledingketen Madame Twenty (zo noemde Jacques haar destijds eens1). Eileen biedt de twee onderdak, maar is hen na een paar dagen beu. Ze stoort hen in hun liefdesdaad, die deze keer liefdevol wordt opgetekend, en dwingt hen te vertrekken. Hun geld voor de overnachting mogen ze doen. Als ze weigeren, dreigt ze met haar geweer. Daarop schiet Moniek haar neer. Wilde Moniek hiermee verhinderen dat Jacques er stiekem tussenuit zou piepen en naar Sonja zou gaan, of was dit een moord om Jacques twijfelende liefde over te buigen naar volledige liefde voor haar, zoals hij later concludeert?2 Jacques weet het niet, maar op hem heeft het de eerste uitwerking, zo blijkt al tijdens hun vlucht.

“Bij het overnemen van het stuur keken ze elkaar een keer recht over het dak van de auto aan – een aangrijpend, innig, volstrekt wanhopig moment. Jacques kon niet bevatten wat er was gebeurd. Nog maar een uur, twee uur geleden was hij geen moordenaar geweest, had hij de nachten afgeteld tot hij in Amsterdam zou zijn. Nu was hij ook nog geen moordenaar, maar met één beweging van haar wijsvinger had Moniek alles weggevaagd, de nacht gevuld met onzichtbare politiemannen, jaren gevangenis, brieven die hij in zijn cel aan Sonja zou schrijven. Zo vlug gaat dat, een moord, had hij gedacht terwijl Eileen in elkaar zakte, een verbazing in haar ogen die haar gezicht voor het eerst iets aardigs gaf.”3

Hangen aan de rand van de wereld

De moord roept niet veel schuldgevoelens op. Bij de berekenende Moniek niet en evenmin bij Jacques. Bang was hij eerder al, waarvoor werd niet duidelijk.4 Weliswaar voelde hij aan dat hij zich op een kantelpunt bevond na de moord. “Met zijn vingertoppen hing hij nog aan de rand van de wereld, klaar om los te laten.”5 Maar wanhoop kun je het niet noemen. “Eileens dood deed hem niets, en zelfs dat nietsdoen liet hem koud; ze was een naar en lelijk mens geweest wier verdiende loon het was om dood te zijn.”6

1986-1988_Ford_XF_Falcon_GL_sedan_03

Een rode Ford Falcon, waarmee Moniek en Jacques hun vlucht begonnen. Daarna ruilden ze de auto in voor een witte Ford Fairmont. Bron Wikimedia Commons

Ook de fraude, waarmee Moniek honderden Australiërs had uitgeknepen, deed haar niets. Domme mensen verdienen dat, is haar mening. Zelfs Australië dekt de zonde toe. Australiërs geven niet zo snel iemand aan bij de politie. Ze zijn er zelfs een beetje trots op dat iemand zo goed anderen om de tuin kan leiden. Op hun beurt proberen ze de enorme bedragen, die Moniek cash heeft meegenomen, afhandig te maken. Waar is het besef van goed en kwaad en van schuld en straf gebleven?

Paradijs

Moniek en Jacques ontkomen het gerecht door een verlaten boerderij te huren van een oude vriend van Jacques, Marcus Eboli. Jacques heeft daarmee voor het eerst en met succes een idee gelanceerd om onder te duiken. De afgelegen woning draagt de naam Fort Madness. Waanzin. Waarom? Omdat het opknappen van het huis in het verleden niet van de grond kwam, zoals Krabbé suggereert?

Misschien omdat Fort Madness het paradijs is. Dat is niet zo positief deze keer. “Jacques had een gruwelijk visioen: Fort Madness was werkelijk het paradijs. Daarbuiten was niets.”7 Wat heb je aan zo’n paradijs, hoewel “stil, en aangrijpend mooi”,8, van eenzaamheid en tijdloosheid? Eerst verkiest Jacques gevangenschap boven dit paradijs, later begint hij zich toch gelukkig te voelen.9

Het Australische paradijsje bestaat trouwens per gratie van de nog wachtende zondvloed. De boerderij is gebouwd op een plek waar een stuwmeer van de rivier Yorty10 moet komen. Een onderwaterzetting dreigt. Zo is het paradijs geen gevolg van een goed leven, maar slechts een onverdiende, toevallig zich aandienende pauze. Als de overheid dan aangeeft dat het gebied na vijf weken onderwater wordt gezet, besluit Moniek opnieuw tot zelfmoord, misschien toch vanwege haar verleden van opgestapelde fraudepraktijken?

“Ze keek hem aan en zei wat hij plotseling wist dat ze zou zeggen – wat hij altijd al had geweten dat ze zou zeggen als dit moment gekomen was, en waarvan de griezelige elegantie, de macabere zinnigheid onontkoombaar was: ‘Ik blijf.’”11

“Jammer”

Monieks dood komt onverwacht in het boek. Zij toont ijzeren wilskracht om te overleven. Waar Jacques voortdurend denkt aan opgeven, aan terugkeren naar Amsterdam of zich aangeven bij de politie, gaat Moniek stug door met zoeken naar uitwegen. Als Jacques opgeeft, zal blijkbaar ook haar wereld instorten. “Of zal ik maar springen”, Jacques’ gedachten radend om haar alleen te laten.12 Nu buigt haar wilskracht tot leven om naar een zelfverkozen dood.13 Jacques gaat daarin mee, totdat hij Sonja ontmoet op televisie. Zij is naar Australië gereisd om hem te zoeken.

Jacques ontsnapt daarop uit Fort Madness. Moniek achtervolgt hem met de auto en snapt hem. Ze dwingt hem met haar pistool mee terug te gaan. Hij weigert. Zij bekent van hem te houden. “We waren samen”, zegt Moniek. Jacques:

“In Oostende waren we samen. Maar dat was gelogen, een grap om Christa een streek te leveren. Een spel.”
“Ja. Maar ik speelde dat ik het speelde. Ik was verliefd op je. Ik kon je niet gebruiken, daarom heb ik je zo gemeen mogelijk weggetrapt.”

Jacques volhardt in zijn weigering. Er ontstaat een vechtpartij, waarbij Moniek haar wapen grijpt.

“Ze richtte op hem, maar er kwam een glimlach op haar gezicht, en ze haalde haar schouders op. “Nee?” zei ze. “Jammer.” Ze lachte een kort lachje, zette het pistool tegen de zijkant van haar hoofd, en schoot.”14

Volbracht

Moniek hield echt van hem, dat wist ze. In haar jeugd moest ze hem desondanks afpoeieren. Daarom zette ze haar liefde als spel neer. Hij zou dan de les leren nooit iemand te vertrouwen, zo staat in de laatste flashback.15

“Ze had het volbracht – iets onvergeeflijks, maar dat was ook steeds de bedoeling geweest. Een keus maken, daar ging het om. Niet of het de goede keus was – juist de verkeerde was goed, daar was meer kracht voor nodig. Ze kon trots op zichzelf zijn.”16

Volbracht. Zo wordt Moniek een soort tegengestelde Jezus. Iemand die eigendunk verkiest boven vertrouwen, die anderen uitmergelt in plaats van verrijkt, die verkeerde keuzes stelt boven goede. Iemand die uiteindelijk de verdrinkingsdood door de zondvloed17 verkiest boven rechtvaardige straf en leven.

En Jacques? Zijn vluchtpoging wordt een flop. Sonja zocht Jacques niet uit liefde ontdekt hij nu, maar slechts om te controleren of haar overspelige echtgenoot daadwerkelijk dood is. Jacques probeert Fort Madness terug te vinden, mogelijk om alsnog de dood in te gaan zoals Moniek dat wilde. Hij verdwaalt en wordt aangehouden door de politie. Jacques wijst het lijk van Moniek aan, en herhaalt in het politiebusje “voortdurend dat hij een lafbek was die voor eeuwig zijn kans had gemist.”18

Hij had zijn kans gemist om net zo’n tegengestelde Jezus te worden als Moniek. Hoewel Jacques weinig berouwvolle reflectie toont op zijn daden, zijn de voortdurende twijfel en het onsympathieke vluchtgedrag van deze antiheld restjes van het goede in hem. Een hoop -toegegeven: een kleine hoop- dat goed en kwaad hun gelding niet verloren hebben.

TimKrabbe-fotoUitgPrometheusviaLeespleinnl

Tim Krabbé. Bron Leesplein.nl via Uitg. Prometheus

Tim Krabbé, Vertraging, Groningen: Wolters-Noordhoff, 1999, 125 blz., ISBN 9001 55098 3. Vertraging werd in 1994 gepubliceerd.

 

 

P.S. Het was mijn plan om deze serie te beginnen met een boek wat meer in de lijn ligt van deze serie. Wie (christelijke) religie in de literatuur wil onderzoeken, zal meer vinden bij Pieter Nouwen of Bé Nijenhuis. Dat Krabbé de serie opent, heeft naast pragmatische redenen slechts de betekenis dat alle literaire werken onder de loep kunnen worden genomen.

 

Share on FacebookShare on LinkedInTweet about this on TwitterShare on Google+Email this to someonePrint this page
  1. Zie p. 123.
  2. Zie p. 114.
  3. Zie p. 93.
  4. Zie p. 82.
  5. Zie p. 95.
  6. Zie p. 101.
  7. Zie p. 102.
  8. Zie p. 105.
  9. Zie p. 105 en 107.
  10. Staat de naam van deze (fictieve) rivier voor yore, Engels voor verleden?
  11. Zie p. 108.
  12. Zie p. 89.
  13. Zie p. 113.
  14. Zie p. 119.
  15. Zie p. 122
  16. Zie p. 125.
  17. Geen woord van Krabbé.
  18. Zie p. 121.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *