Antoon Coolen speelt met heiligheid in kerstverhaal

Door in Literatuur op 24 december 2015

Recensie: Antoon Coolen, De gouden webben, twee kerstverhalen

Bron Wikimedia

Bron Wikimedia

Het docentschap op een rooms-katholieke school deed me opnieuw kennismaken met het rooms-katholieke geloof. Via een goede collega op mijn vorige school, het Aloysius College in Den Haag, kreeg ik het boek De gouden webben van de katholieke schrijver Antoon Coolen (1897-1961), vast bekend van het boek Dorp aan de rivier. Voor protestanten valt de verrassende omgang op met heilig en profaan in dit boek, met afstand en nabijheid.

Deze aflevering is onderdeel van de serie Religie in de Nederlandse literatuur.

Het eerste verhaal van de twee kerstverhalen in de bundel gaat over een boer, die met zijn vrouw na jaren wachten en hopen een kindje verwacht. Een klassieke insteek: een besneeuwd landschap en twee mensen, eenvoudig, ietwat naïef en met een zuiver innerlijk. Dat lijkt op een lievige Jozef en Maria. Prima ingrediënten voor het vieren van een zoete kerstmis.

“Johannes is eenvoudig als een veldbloem in de zomer, en hij heeft nu voortdurend dat gevoel van het wonder, het wonder van Kerstmis. Hij zal er zich niet met in woorden uitgesproken gedachten rekenschap van geven, maar hij voelt het heel goed, dat, doordat God als kind op aarde kwam, het kind het is, dat de aanvang is van het heil en tussen hemel en aarde bemiddelt en hen verzoent in de vrede der onschuld, die vrede, waarin het kind het hemelrijk deelachtig is. En zo brengt Johannes zijn gevoel van Kerstmis in verband met het kind, dat hem is aangekondigd en dat zal spelen in de vloer van zijn huis en onder de linden voor zijn deur.”1

Een van de weinige duidelijk verwijzingen naar het geloof, in een haperende volzin die de schrijfstijl van Coolen kenmerkt. Het geloof wordt overigens door de hoofdpersonen nauwelijks uitgesproken, laat staan met elkaar besproken. De hoofdpersonen zwijgen veel en vertoeven in hun serene gedachtewereld. Ze leven van gewoonten, een typisch kenmerk van zware gemeenschappen waarin het geloof nog allesoverheersend was.

Vanwege de zwangerschap gaat Johannes een boom omhakken in het nabijgelegen bos die kan dienen als kerstboom. Daar had zijn vrouw Anne-Marie “dromerig” naar verlangd, nu ze een kind verwachtte.2 Johannes gaat op weg met zijn bijl en dan blijkt Coolen een meester te zijn in natuurbeschrijvingen. Misschien wel juist door zijn losse, niet-logische zinsopbouw, die de lezer gelegenheid geeft zijn fantasie te laten prikkelen.

“In het heldere tussen die zachtjes wiegende dennen drijven de vlokken neer, soms verschuift een witte vracht van een tak en ploft kalm omlaag, een kleine poeierende bui, en Johannes kijkt tussen de stammen uit over die smetteloze witte gepaktheid in het vrije veld, waarin altijd door de vlokken neerzijgen als een witte stilte in een stiller en witter stilte.”3

 

Samenhang der geschapen aarde

Dan grijpt Coolen in in de tekst en voert hij spinnen ten tonele. Zij willen wel een kerstboom zien en volgen Johannes op weg naar huis. Kerst blijkt opeens niet alleen een feest van verzoening met mensen te zijn maar ook een van vrede voor alles wat op aarde leeft.

“Nu hadden de spinnen dikwijls in deze tijd van het jaar mensen en kinderen een kerstboom zien omhakken in het bos. Kerstmis dringt tot de hele samenhang der geschapen aarde door, tot de bijen, die de naam van Jezus zoemen voor hun korf in de heilige nacht, tot de spinnen, die onrustig worden en nieuwsgierig.”4

Bron ardjanlogmans.nl

Bron ardjanlogmans.nl

Op weg naar het huis van Johannes en Anne-Marie, komende spinnen midden in de nacht voor een dichte deur te staan. Maar gelukkig is daar “Kindje Jezus” die de deur openmaakt, zodat de spinnen erin kunnen. Van Kindje Jezus mogen ze de boom in, waarin ze gelijk hun webben beginnen te spinnen. De glanzend opgetuigde doom verdoft onder die draden. Om Johannes en Anne-Marie te behoeden voor de schrik de volgende ochtend, stuurt Kindje Jezus de spinnen weg en zegent de boom. Daarop beginnen de draden goudgeel te glanzen. “Toen ging het Kindje Jezus door de open deur weg in de blanke nacht, waarin de zuivere stilte in zichzelf verzonken lag onder de heilige sterren van Kerstmis.”5 Als de echtelieden de volgende morgen de bijzonder versierde kerstboom zien, zijn ze stil van verwondering.

Coolen weet bepaalde voorspelbare idyllische kerstkenmerken te weven in zijn verhaal zonder dat het platte romantiek wordt. Misschien komt dat wel door zijn gedetailleerde blik en milde beoordeling van de mens. In het verhaal komt Jezus verrassend dichtbij, omdat Hij als een ‘gewoon’ kind wordt opgevoerd, beschreven zoals een beeldje in een kerststal. Drempels vallen weg, zodat deze Jezus voor een protestant bijna profaan wordt. Waar het geloof té profaan wordt, verliest ze aan zichtbaarheid en betekenis. Is dat misschien niet een kenmerk van katholieken in Nederland?

 

Die vergeten, oude vrouw

Dat Coolen niet alleen zoete kerstverhalen schreef, bewijst het tweede verhaal, over Marjanne. Zij is een oude vrouw, door haar kinderen in een bejaardentehuis gezet en nog nauwelijks opgezocht. Blijkbaar bij de druk van dit boek, in 1957, geen onbekend verschijnsel.

“Alles van vroeger komt dichterbij”, wordt herhaald in het boek. Wie oud is, verliest veel, maar het verleden niet. Voor Marjanne is dat geen onverdeelde vreugde.

“Zo lag het uiteen en verspreid, wat moeder Marjanne bezeten had, de kinderen en hun groei; en hare mens [man, AL] had zij al voor jaren af moeten geven, zij zelf was nu opzij ergens neergezet, hier in het gesticht. Zij kon aan het verleden denken als aan een vertelsel van gebeurtenissen uit een andermans leven. Zo was zij in het gesticht gewend geworden, alsof haar dagen daar vanzelfsprekend waren. Maar dat was het eigenaardige: wat het verste terug lag in de tijd, kwam hoe langer hoe dichter bij. Heel dat vertelsel werd klaar en duidelijk. Ben ik dat, of is ’t een ander, die dat heeft meegemaakt, vroeg zij zijn eigen af. Zij zag die jonge vrouw, die zij geweest was, gaan en staan al een ander, die zij goed en van dichtbij had gekend en waar zij, gekromd door de jaren, van was weggegroeid tot die vergeten, oude vrouw, die hier met een stokje over de paden liep.”6

Wat ze ook niet kwijtraakt, is de pijn in haar levensgeschiedenis. Vader en moeder, “die tegeneen scholden en raasden, vader, die er opdofte, en moeder, die hare verwensingen krijste en tartend op het tafelblad stond te timmeren: lelijke beest, dat ik oe nooit gekend had… ‘Alles van vroeger komt terug.’” In haar jeugd werd ze bovendien misbruikt door een boer bij wie ze werkte. Ze was toen dertien. En het liep toen ook tegen kerstmis.7 Haar man Martien Lodewieke, al overleden, was “in zichzelf gekeerd, nors en stug. Hij boerde onder zware hypotheeklasten.”8 Haar kinderen vlogen uit en hebben het te druk of wonen te ver weg om hun moeder te bezoeken.

 

Vrede

Antoon Coolen. Bron Waalreserfgoed.nl

Antoon Coolen. Bron Waalreserfgoed.nl

Desondanks werd op kerstfeest de vrede getekend, dat weet Marjanne nog wel. Die verstikkende ruzie die je niet wilt, die ingesleten reacties op elkaar, dat wordt met Kerst anders. Niet door een wonder noch door relatietherapie. Het eerste bestond wel, maar bleef uit, van het tweede had men geen weet. In dit treurig gezinsverband, vastgeklonken in gewoonten, is er nog altijd het Kindje Jezus dat met Kerst de strijdbijl doet begraven en hoop geeft op een beter leven.

Tijdens Kerst ontsnapt Marjanne uit het gesticht en zoekt ze de boerderij van vroeger weer op, waar ze haar kinderen heeft grootgebracht. Ze vindt er niets meer wat herinnert aan haar verleden. Het huis is gemoderniseerd. Het jonge boerengezin dat er woont heeft een nieuwe vloer gelegd, de bedstee dichtgemetseld en de schouw weggebroken.9 Haar onverwachte bezoek wordt gedoogd. Als een klein kind krijgt ze de “vierurenboterham”, met suiker en afgesneden korstjes, net als de “kiendjes”. De boer brengt haar terug naar het “liefdesgesticht” met de huifkar. Waar kinderen en bezittingen verdwenen zijn, zakt ze terug in haar herinneringen waar ze dat alles nog heeft.

“Zij had wat haar moeder had, dezelfde gehechtheid eraan, dezelfde verzwegen tederheid, waarmee zij de beelden van de kerststal voor de dag haalde en heilig geloofde, dat de Kerstdag niet geschonden mocht zijn, door geen ruzie, door geen verdriet of norsheid, door niets, om in het leven tenminste iets goeds te hebben te midden van al het getob en de zorg, om dat schoon te bewaren. […] Tot voor de kerststal, tot voor het licht van de goede wil in ’t ouderhuis, leidde zij hare kleinen terug langs deze weg door haar hart, waarover zij, eenzaam onder haar huif, gebogen en geborgen zit en waarin zij vindt wat zij daarnet bij die vreemden tevergeefs gezocht heeft.”10

Zo dommelt ze op de huifkar de dood in. Coolen geeft een blik in het katholieke leven, waarbij –gechargeerd– de gewoonten heilig zijn, zoals van het kerstfeest, en het geloof profaan, zo weinig anders, zo weinig schurend tegen het leven. Typisch katholiek wellicht. Wordt daarmee de kracht van het geloof niet onderschat? Dat is wellicht een typisch protestantse beschouwing van het katholicisme.


Naar aanleiding van: Antoon Coolen, De gouden webben, twee kerstverhalen, H. Veenman & Zonen: Wageningen 1957, 78 blz.

Share on FacebookShare on LinkedInTweet about this on TwitterShare on Google+Email this to someonePrint this page
  1. Zie p. 14.
  2. Zie p. 15, zie ook p. 38: een zwangere is gevoelig en staat open voor de diepste levensvragen.
  3. Zie p. 17.
  4. Zie p. 20.
  5. Zie p. 36.
  6. Zie p. 48.
  7. Zie p. 53.
  8. Zie p. 55.
  9. Zie p. 69.
  10. Zie p. 78.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *