Doeschka Meijsing: Prediker zonder hemel

Door in Literatuur op 18 oktober 2016

Recensie: D. Meijsing, De hanen en andere verhalen

Doeschka Meijsing publiceerde in 1974 haar debuut met de verhalenbundel De hanen en andere verhalen.

Doeschka Meijsing publiceerde in 1974 haar debuut met de verhalenbundel De hanen en andere verhalen. Bron ardjanlogmans.nl

Doeschka Meijsing (1947-2012) debuteerde in 1974 met het boek De hanen en andere verhalen. De achterflap vermeldt ronkende recensies gevuld met overigens wollige, bijna nietszeggende zinnen, althans voor een lezer veertig jaar na dato. Een zin daaruit is desondanks wel treffend: ‘Een werkelijk perfecte vormgeving gaat bij haar hand in hand met een niet geringe problematiek – waar de meeste schrijvers zich beslist aan zouden vertillen – die zonder mankeren uit de verf komt.’ Een stukje van die problematiek gaat over religie; dat stukje wil ik in deze bespreking verhelderen. Voor het gemak neem ik de zeven verhalen bij elkaar, omdat de thematiek min of meer overeenkomt.

Deze aflevering is onderdeel van de serie Religie in de Nederlandse literatuur.

Het is lang geleden dat ik iets van Meijsing heb gelezen. Thematiek uit die boeken ben ik inmiddels vergeten en dit boek is een mooie gelegenheid om opnieuw kennis te maken met Meijsing. Dit keer doe ik dat via een verhalenbundel, omdat ik voor school me wil verdiepen in korte verhalen. Die zijn vanwege hun omvang goed te gebruiken in de lessen over literatuur en literatuurgeschiedenis.
 

Levensfilosofie

Meijsings verhalen zijn denkverhalen, licht filosofisch van aard. Er gebeurt wel het een en ander – in bijna elk verhaal gaat er iemand op onfortuinlijke wijze dood – maar de gebeurtenissen zijn niet leidend voor het verhaal. Het gaat om de gevolgen ervan in het hoofd van de personages. Die gaan ermee aan de haal. Diverse onderwerpen komen zodoende duidelijk naar voren, al is het personage heel dwingend aanwezig om zijn gedachten aan de lezer op te leggen. Persoonlijk vind ik het mooier als personages heel veel doen – en dat daaruit een levensfilosofie oprijst. Die benadering geeft de lezer meer mogelijkheden tot interpretatie en dat maakt een boek meer gelaagd, ook mysterieuzer.

Het eerste verhaal zet wat betreft de religieuze kant van het boek de toon voor de rest van de verhalen.

‘Ik hoop dat ik als predikant in een klein Fries dorp terechtkom, te midden van de boeren. Vanaf de kansel zal ik niet nalaten de eeuwige goedheid van de Heer te bezingen. Ik zal wijzen op het goede om ons heen, vele voorbeelden van naastenliefde en Godsvrees er met de haren bij slepen. Een bijna onmogelijke taak, want de meesten zullen me geloven.’ 1

 

Het Goede

Bij dat laatste zinnetje houd je even de adem in, zoals je een pleister van de huid trekt terwijl de wond nog niet dicht is. Is dit geloof in God? Het gaat me niet over de dominee die het zelf niet meer gelooft. Daar zijn wel voorbeelden van, maar die predikanten zijn enkelingen. Maar de goedgelovigheid van kerkgangers, is dat treffend verwoord? Is geloof naïef-positief in het leven staan terwijl het leven overduidelijk slecht is?

Terug naar de dominee in het Friese dorp. Uiteindelijk is voor het goede geen bewijs, weet de hoofdpersoon als een van de weinigen.

‘Ik denk dat ze [onder anderen zijn moeder, AL] vergeefs wachten om hun vinger op het verraad van het Goede te mogen leggen. Want de haat, de afkeer, de stank van emoties, de rottende bladeren, de kleinheid van denken, de macht, de tranen, de slimheid, de charme, de wiskunde en de dorre takken zijn allemaal facetten van een systeem dat zo immens en geniaal is, dat het nooit op die manier te betrappen is.

Nee, het Goede, het Mooie prediken, dat is de benadering. De boeren de niet bestaande paradijstuin voor ogen toveren, taartjes van leugens voorzetten. Slechts weinigen zullen me begrijpen. Maar op de spitse toren van mijn kerkje, de toren die naar de hemel wijst, zal een blinkende haan staan, meedraaiend met de wind.’ 2

'Maar op de spitse toren van mijn kerkje, de toren die naar de hemel wijst, zal een blinkende haan staan, meedraaiend met de wind.' Beeld: de (katholieke) kerk van het Friese Cornwerd. Bron Wikimedia Comons

‘Maar op de spitse toren van mijn kerkje, de toren die naar de hemel wijst, zal een blinkende haan staan, meedraaiend met de wind.’ Beeld: de (katholieke) kerk van het Friese Cornwerd. Bron Wikimedia Comons

Zo eindigt het eerste verhaal met een verwijzing naar Petrus, die loog dat hij Jezus kende (zie o.a. Marcus 14,68), terwijl de haan op de kerktoren vanouds een symbool is voor de opstanding, voor het vernieuwde leven.
 

Het kwaad

Het goede bestaat niet. En het kwaad, bewijst Meijsing in haar boek, dringt als een hogere macht ongevraagd de levens van mensen binnen. Als ze hun argeloosheid te boven zijn gekomen, zullen ze moeten vechten om nog wat van het leven te maken.

Neem die uitbaatster van het Duitse hotel Königshof. Ondanks een dronkenlap van een vent en een late zwangerschap, waarmee ze de hoon van het dorp over zich haalt, weet ze haar hotel met ijzeren hand te runnen.

Anderen zullen ze zich alleen maar dieper in de nesten werken. In de verhalen ‘Joey Santa’ en ‘De zaak Judith Reiss’ worden nieuwe moordaanslagen voorbereid om zich te wreken op een moord die min of meer onschuldig is begaan maar die in het hoofd van de personages is verknoopt tot een onoplosbaar kluwen met moord als mes om het touw te ontwarren.
 

Labyrint

Als het goede niet bestaat en het kwaad zomaar, zonder reden, het leven binnendringt, verdampt het geloof. Dat blijkt uit het tweede verhaal, met de opvallende titel ‘De gemeenschap der heiligen’. De hoofdpersoon komt vanuit het katholieke Brazilië3 aan in Nederland. Het leek een reis vanuit armoede, waar een paradijselijk hiernamaals beloofd werd, naar Nederland als een hemel op aarde en een armoedige hemel in het verschiet. Kon het immers nog mooier worden dan het in Nederland al was?4

Het leven is kortom een labyrint. Zoeken naar de uitgang is gedoemd te mislukken. ‘Soms denk je dat het labyrint een middelpunt heeft, waar het zoeken ophoudt en het antwoord gevonden wordt.’5. Neefje Jonathan vertrekt aan het eind van het verhaal naar Zuid-Amerika.

‘Ik koester geen hoop hem ooit weer te zien. Er bestaan geen hier en hiernamaals die elkaars afspiegeling zijn. Of het moest zijn dat Jonathan in het paradijs zit en ik mijn reis naar de overzijde, toen ik mijn moeder verliet, in omgekeerde volgorde over moet maken. Maar ik zal nooit ergens aankomen. Want er bestaat geen dualiteit waar je het een moet laten om het ander te bereiken. Heel ons leven is toch meer de oppervlakkige chaos van een labyrint.’6

Geen God, geen hemel, geen Goed en een kwaad dat zich alleronverwachts aandient. Meijsing laat haar personages strijden met een doel in hun leven, met een antwoord in het labyrint, met de secularisatie wellicht ook, die in de jaren 1970 al fors om zich heen had gegrepen. Wat blijft er van het geloof over voor de hoofdpersoon, die het financieel voor elkaar heeft en door familiedrama’s die hem overkomen eenzaam wordt? Wat als het leven van veel Nederlanders zo gestructureerd is als de voortuintjes in een chique wijk in Haarlem?7 Wat als het diepe verlangen naar harmonie8 voor je ogen en in je gedachten verdort?

Dan houd je een Prediker over zonder hemel, zoals het Bijbelboek wel eens in oppervlakkige lezing wordt gekenschetst: alles is ijdelheid, het najagen van wind. Doe je ding, kom voor jezelf op, wees gelukkig. Dat maakt de zinloosheid draagbaar.
 

Twee reacties

Sprankjes hoop verspreidt Meijsing maar spaarzaam. Het denken, als de zetel van de ziel van de moderne mens, bedriegt per slot van rekening.

‘Nu is het waar en gisteravond, maar helemaal zeker weet je nooit of het niet een gevoel is wat je denkt, en dat in werkelijkheid niet aanwezig is. […] Dat we soms zelfs denken dat we een gemis hebben op te vullen dat er wie weet niet eens is? Denken in betrekkelijke eenzaamheid en comfort, denken aan iets, over iets, aan iemand, voor iemand, over iemand, dag in dag uit je zelf besodemieteren. Is het niet om razend van te worden?’9

Doeschka Meijsing. Bron dbnl.nl

Doeschka Meijsing. Bron dbnl.nl

Denken is bovendien vergankelijk. Wie kent jouw herinneringen nog als je zult zijn gestorven, zo overdenkt de dappere hotelier van Königshof gelaten aan het eind van haar leven.10

Uiteindelijk is de dood dan ook geen doorgang naar een hiernamaals. Ook dat overkomt je, of je er nu angstig voor bent of niet. Bokser Freddy voelt de dood aansluipen, maar neemt toch nog die laatste fatale bokswedstrijd aan. Hij wordt doodgeknuppeld door de vuisten van Joey Santa. De dollemansrit naar het ziekenhuis mag niet meer baten.

‘Alles aan Freddy probeerde wel terug te komen: hij schokte en trilde als iemand die een epileptische aanval heeft. Hij vocht als een razende tegen dat donkere, hij ging tekeer in zijn lichaam en wilde terug van dat moment van nooit meer terug kunnen. Maar toen we de oprijlaan van het ziekenhuis opreden lag hij al stil en had hij al verloren. Hij leefde nog tien uur. Zijn hart en longen functioneerden nog.’11

Soms is dat ‘donkere’ er zomaar. Koeltjes en daardoor indringend vertelt Meijsing het verhaal hoe kinderen spelen met een oud pistool.

‘‘Ik sterf voor mijn liefde,’ sprak Judith Reiss, een fatale zin die ze in een boek gelezen had, en ze gaf de helm die over haar ogen gezakt was een duwtje.
‘Handen omhoog, zei ik,’ riep Franz-Josef I wanhopig en haalde de trekker over.
De kogel maakte en rond gaatje in de helm.
Judith Reiss zal gedacht hebben dat de liefde blauw was, en de pijn, en de wereld, en de verbazing ten slotte die het laatste kwam, terwijl ze viel, heel langzaam, naar de blauwe ramen toe, die op haar afkwamen.’12

Leven zonder open hemel is desondanks niet zwaar bij Meijsing. Nergens in het boek is een levensmoede melancholie te bespeuren. Al is het leven een leugen, doe je ding, kom voor jezelf op en wees gelukkig. Het boek is een strijd, nu eens met de verbeelding van het denken, dan weer met het bovennatuurlijke van het geloof. Die onzichtbare werkelijkheid delft het onderspit. Maar tegen wat? Zonder onzichtbare werkelijkheid is de fysieke werkelijkheid ook niets. Dus pendelt Meijsing in haar boek tussen twee reacties: de momenten van spijt dat het leven zonder geloof en doel zoveel glans verliest, zoveel ‘harmonie’, en de schouderophalende nonchalance waarmee elke hobbel in het leven ook genomen kan worden.

Desalniettemin, doordenkend op wat Meijsing schrijft: hopelijk vloert de spijt over de gebrokenheid van het leven ons verlangen naar harmonie niet, maar geeft ze dat juist vleugels.
 

Share on FacebookShare on LinkedInTweet about this on TwitterShare on Google+Email this to someonePrint this page
  1. D. Meijsing, De hanen en andere verhalen (Amsterdam: Em. Querido’s Uitgeverij 1978) p. 21. Alle citaten komen uit deze uitgave.
  2. Zie p. 22.
  3. Zie p. 37.
  4. ‘Intussen ben ik er wel achter gekomen, dat als de hemel van goud is de aarde een modderige poel is, maar ook dat dat omgekeerd het geval zal zijn.’ Zie p. 36.
  5. Zie p. 44.
  6. Zie p. 47.
  7. Zie p. 34.
  8. Zie p. 33.
  9. Zie p. 74 en 75.
  10. Zie p. 64.
  11. Zie p. 88.
  12. Zie p. 105-106; vergelijk de eveneens beschouwende beschrijving van de dood van drie kinderen Koedooder, p. 45.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *