Het concrete geloof van middeleeuwse Marieke

Door in Literatuur op 14 mei 2016

Recensie: Mariken van Nieumeghen

Bron ardjanlogmans.nl

Bron ardjanlogmans.nl

Niet zo lang geleden heb ik Mariken van Nieumeghen herlezen, oftewel Nijmeegse Marieke. In klas 5 van het vwo behandelde ik het boekje uit de late middeleeuwen. Al lezende bekroop me weer het vervreemdende gevoel hoe ver de geloofsbeleving van Mariken afstaat van de mijne, van de onze. Een kleine reconstructie hoe Mariken het geloof beleeft, hoe typerend dat is voor de middeleeuwen en enkele opvallende verschillen met vandaag.


Deze aflevering is onderdeel van de serie Religie in de Nederlandse literatuur.


Mariken is rond 1500 op schrift gesteld door een voor ons onbekende auteur. Het verhaal gaat over Mariken, die wordt opgevoed door de broer van haar overleden moeder, priester Gijsbrecht. Op een dag moet ze naar Nijmegen om inkopen te doen. Omdat de avond invalt, klopt ze aan bij een tante om te overnachten. Die scheldt haar uit voor alles wat onbetamelijk is. Teleurgesteld druipt Mariken af en verkoopt haar ziel aan Moenen, een duivel in mensengedaante. Samen vertrekken ze naar Antwerpen, waar ze zeven jaar de beest uithangen. Daarna krijgt Mariken berouw. Ze keert terug naar Nijmegen om haar familie op te zoeken. Daar komt ze tot inkeer en ontworstelt ze zich uit de greep van de duivelse Moenen. Als straf op de zonden krijgt ze van de paus een ijzeren ring om haar hals en om haar polsen.1 Als die afvallen, zijn haar zonden vergeven. Na jaren gewoond te hebben in het klooster van de bekeerde zondaressen in Maastricht, maakt een engel uiteindelijk de drie ringen los. Daarmee eindigt het verhaal.
 

Des duivels

Mariken is een mirakelverhaal, een verhaal over een wonderlijke redding uit grote problemen. Een verhaal over grote zonden en onverwachte genade. Van de kant van Mariken zijn er geen vooruitwijzingen naar haar zonden. Ze is ‘een mooie jonge maagd’ en doet nauwkeurig het huishouden van haar oom. Als haar oom haar naar Nijmegen laat gaan, bekruipt hem een vaag gevoel van onrust, maar hij kan het niet plaatsen. De tante is echter des duivels, vanwege een politiek issue.2

Standbeeld van Mariken op de Grote Markt in Nijmegen. Bron Flickr

Standbeeld van Mariken op de Grote Markt in Nijmegen. Bron Flickr

In die sfeer klopt Mariken aan bij haar tante, waarop die haar begroet als hoer, slet, helledochter en soortgelijke opmerkingen. Daarbij insinueert ze dat niet alleen Mariken van laag allooi is, maar dat ze ook nog eens is verwekt door een onbekende man.3 Zou daarom haar moeder vroeg gestorven zijn als straf op haar overspel? Dat was immers een gangbare gedachte, die teruggrijpt op de Bijbel.4

Bovendien heeft haar oom zijn handjes niet thuis kunnen houden, zegt tante.5 Een vreemde opmerking. Getrouwde priesters waren in die tijd geen ongewoon verschijnsel, dus naar het celibaat kan tante niet verwijzen. Of was het een sneer richting de kerk? Ongetwijfeld was de kerk in die dagen wel een bijzonder machtig instituut, maar wist ze niet altijd goed contact te krijgen met het grondvlak. Zielen gaan hun eigen weg, nu zeker, maar toen ook.
 

Wanhoop

Hoe dan ook, Mariken verdwijnt in de schemerende avond en beveelt zich aan God of duivel. ‘’t Is me één pot nat.’6 Dit is het punt voor de duivel om in te grijpen. Wie wanhoopt, staat immers volgens middeleeuwse begrippen op het punt in de hel te vallen. Wanhoop wordt wel de zonde tegen de Heilige Geest genoemd, een onvergeeflijke zonde.7 Het is uit wanhoop dat tante zelfmoord pleegt.8 Marikens oom zegt daarom later tegen Mariken: ‘Geen is verloren dan wie zich als verloren beschouwt.’9

Toch geeft Mariken zich niet zomaar aan de man die zichzelf voorstelt als professor in de wetenschappen. Overduidelijk is hij vanwege zijn ene oog te herkennen als duivel. Uiteindelijk gaat Mariken overstag, op voorwaarde dat ze de zeven vrije kunsten aangeleerd krijgt.10 Opvallend genoeg kiest Mariken niet voor geld en bezit, waar toch de duivel waarschijnlijk het meest om gevraagd wordt.11 Wellicht was geleerdheid iets magisch, iets beangstigends, en daarmee het terrein van de duivel volgens velen? Plausibeler is het dat geleerdheid een manier was om te stijgen op de sociale ladder. De arme Mariken kon zich daarmee revancheren voor het onrecht dat haar door haar tante was aangedaan.

Als bewijs van geleerdheid draagt Mariken, die van de duivel als Emmeken12 door het leven moet gaan, een rederijkersgedicht voor in een herberg. Het overige wat de duivel in de zeven jaar in Antwerpen doet met haar is minder fraai. Ze kreeg weliswaar een rijk luizenleventje, maar meer dan tweehonderd mensen vinden mede door haar de dood. Bovendien heeft ze zelfs gemeenschap met de duivel.13
 

Berouw

Toch krijgt Mariken berouw. Ten eerste komt dan door haar naam. Die is verbonden met de moeder Gods (Mariken – Maria – Emmeken/Emmy). Het lijkt een magische kracht door een naam te sijpelen, die vandaag onwaarschijnlijk aandoet. Toen paste dat bij het geloof van deze middeleeuwers. Ook in de Bijbel geven namen dikwijls aan welke levensopdracht de naamhouder krijgt. Ten tweede bad oom Gijsbrecht voor haar en hield op reis naar Keulen en Rome de hostie in zijn hand om de duivel op afstand te houden. Dat eerste doet een protestant bekend aan, dat tweede is weer de wonderlijke vermenging van werkelijke met de geestelijke wereld.

De duivel Moenen trekt Mariken mee de lucht in en probeert haar te doden, nadat ze berouw heeft gekregen. De opzet mislukt. Afbeelding uit besproken boek. Bron ardjanlogmans.nl

De duivel Moenen trekt Mariken mee de lucht in en probeert haar te doden, nadat ze berouw heeft gekregen. De opzet mislukt. Afbeelding uit besproken boek. Bron ardjanlogmans.nl

Tot slot is de vergeving van zonden een daad van God. De paus legt de boetedoening op,14 schoorvoetend weliswaar.15 Door haar vrome gedrag ziet God naar haar om.16 Tegelijkertijd wordt hier duidelijk de genade van God belicht. Mariken ontvangt de genade in haar slaap,17 waardoor ze zelf niets bijdraagt aan haar verlossing. Ze droomt: ‘God, mag ik vragen, kan ik Uw hoge genade zien dagen? Mijn banden zijn weg, dat kan ik goed merken. Ze liggen naast me. O goddelijke werken, die een schild zijn dat ons op wondere wijze beschermt, geen woorden die U genoeg prijzen en eren konden.’18 Het hele oerprotestantse beeld over goede werken binnen de Rooms-Katholieke Kerk vindt wel wat bewijs in dit verhaal, maar men kan toch niet zomaar beweren dat goede werken de genade vervangen.

Kortom, het geloof van Mariken dat de wereld van ervaring en zintuigen zo sterk koppelt aan de transcendente wereld, is voor mij een wonderlijke gewaarwording. Mariken heeft lijfelijk contact met een duivel, de duivel is actief bezig levens te ruïneren, vergeving gebeurt door (of: op) het gebed en goede werken, de hostie houdt de duivel op afstand, de naam Emmy is al voldoende om de duivel rillingen te bezorgen, God gebruikt dromen om in levens te werken, en ga zo maar door. De fysieke samenleving was doordrenkt met het rijk van God. Met allerlei zeer concrete gebeurtenissen en rituelen is er een band met de transcendente wereld, met God.19 Voor mij een helder geworden inzicht. Ook protestantse eenvoud kan een middel zijn om het hogere te ervaren. Maar misschien dat protestanten toch het kind met het badwater hebben weggegooid tijdens de Beeldenstorm van 1566.

Tegelijkertijd is de rol van de kerk relatief, ook in de tijd van Mariken. De oom, die priester is, wordt beschuldigd van overspel, de kerk wordt niet of nauwelijks bezocht in het verhaal en de kerkleer wordt verkeerd uitgelegd: pas na in plaats van voor de opgelegde penitentie door de paus schenkt God genade. Dat past weer beter bij onze tijd, waarin de kerk haar macht verliest. Het doet de vraag rijzen of de kerk ooit beslag heeft kunnen leggen op haar leden of dat het Evangelie altijd zijn eigen ongekende gang gaat.
 
 

Share on FacebookShare on LinkedInTweet about this on TwitterShare on Google+Email this to someonePrint this page
  1. Zie p. 143. Alle paginanummers verwijzen naar: W.A. Wilmink en B.A.M. Ramakers, Mariken van Nieumeghen & Elckerlijc. Zonde, hoop en verlossing in de late middeleeuwen (Prometheus/Bert Bakker, Amsterdam: 1998). De citaten zijn weergegeven in hedendaags Nederlands in de vertaling van Willem Wilmink uit dit boek.
  2. Zie p. 51. Hertog Adolf heeft zijn vader Arnold van Grave heeft gevangen genomen in 1465. Ze trekt partij voor de zoon en voert daar hevige ruzie over met ‘vier of vijf vrouwen’. De politieke kennis van deze (alleenstaande?) tante is opmerkelijk.
  3. Zie p. 55.
  4. In het oude testament wordt een lang en gelukkig leven beloofd aan hen die Gods geboden onderhouden. In die context staan de nieuwtestamentische teksten Luk. 13:4 en Joh. 9:2.
  5. Zie p. 57.
  6. Zie p. 61.
  7. Pette Bange, Moraliteyt sal wesen: https://books.google.nl/books?id=2leaT1e16JUC&lpg=PA69&ots=Rq8q5Eapzr&dq=kardinale%20zonden%20wanhoop&hl=nl&pg=PA69#v=onepage&q=kardinale%20zonden%20wanhoop&f=false
  8. Zie p. 85.
  9. Zie p. 131.
  10. Mariken vraagt ook om de gave van necromantie, een voorwaarde waarmee de duivel natuurlijk niet akkoord gaat, anders heeft Mariken meer macht dan de duivel die haar verleiden moet naar de hel.
  11. Later verwijst Mariken daar echter wel naar, zie p. 141.
  12. Of Emmy; ze moet haar naamsverwijzing naar Maria ongedaan maken, al blijft de voorspraak van de Jezus’ moeder intact door de voorletter M
  13. Zie p. 140-141.
  14. Mariken moet eerst de straf op de zonden dragen, voordat haar zonden zijn vergeven. In de kerk gebeurt dat andersom. Eerst wordt absolutie verleend en vervolgens moet de zondaar als voldoening bepaalde activiteiten uitvoeren zoals bidden of op bedevaart gaan. In dit verhaal zijn de zonden pas vergeven als de ringen Mariken van het lichaam vallen. Misschien heeft de schrijver vanuit een bepaald volksgeloof de volgorde omgekeerd. Wie boetedoening ziet als straf op de begane zonde, zal begrijpen dat eerst de straf moet worden ondergaan, voordat alles weer in orde is. Tegenover deze gedachte staat de kerkelijke opvatting dat boetedoening een teken is van hernieuwd heilig (zuiver-christelijk) leven. Heilig leven doe je niet omdat je gestraft bent, maar omdat je van God houdt.
  15. ‘Hoe zou ik het wagen zo diep te tasten in de barmhartigheid des Heren’, twijfelt de paus. Zie p. 141.
  16. ‘Emmy leefde in het genoemde klooster zo heilig en deed zo streng boete, dat de barmhartige Christus haar al haar zonden vergaf en terwijl ze lag te slapen een engel naar haar toe stuurde, die haar banden verwijderde.’ Zie p. 147.
  17. Vgl. psalm 127
  18. Zie p. 149.
  19. Opvallend dat in de literatuur van pakweg honderd jaar later die band met het transcendente veelal is doorgesneden. Schrijvers die uitgaan van het humanisme denken even nuchter na als Mariken, maar komen met totaal andere verklaringen voor gebeurtenissen. Duidelijk een paradigmawisseling.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *