Bob den Uyl: Liever lot dan God

Door in Literatuur op 11 december 2016

Recensie: B. den Uyl, Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam

Bob den Uyl, Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam (1975). Bron ardjanlogmans.nl

Sommige boeken vallen op door de titel: Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam. Vaag staat me bij dat de schrijver ervan, Bob den Uyl (1930-1992), geen onbekende was in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Misschien is het de jaarlijkse Bob den Uyl-prijs die een belletje doet rinkelen. In zijn bekendste bundel is God zo duister dat hij afwezig is. Toch komt de schrijver niet los van zijn gereformeerde opvoeding.


Deze aflevering is onderdeel van de serie Religie in de Nederlandse literatuur.

Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam is een verhalenbundel uit 1975 met zes verhalen. Het boek is een verademing in een tijd waarin ik vooral functioneel lees: lezen om kennis op te doen voor studie of werk.

Zo niet Den Uyls boek. Daarin gebeurt nagenoeg niets. Geen groots thema, geen meeslepend verhaal, geen grandioos plot. Het zijn de kleine dingen van het leven die verhaal worden in het boek. Wat doe je als je een lekke band hebt in een vreemde stad? Wat zijn de ongeschreven regels van het openbaar vervoer in een Spaanse stad? Wat gaat er door je heen als je als journalist de TT in Assen moet verslagleggen, terwijl je de motivatie mist om primeurs te jagen?

“Een waarschuwing: in dit verhaal gebeurt niets. Inderdaad, eindelijk een verhaal waarin niets gebeurt. Dank u. Jarenlang ben ik gebukt gegaan onder de heersende mening dat er in een verhaal, vertelling of verslag iets wezenlijks dient te gebeuren. Op niet nader te omschrijven wijze is me geopenbaard dat dit een misvatting is. Er gebeurt al genoeg. Dus eigenlijk ook weer niets.”1

Het zijn juist de kleine gebeurtenissen, gedachten, gevoelens en gebeurtenissen van burgerlijk niveau die het boek waardevol maken. Geen grote wereldproblemen worden opgelost maar het boek is een beschrijving van het alledaagse leven, soms hilarisch tot in het absurde doorgetrokken en altijd met een knap oog voor detail.

Doelloos

Tegelijkertijd drukt het citaat ook Den Uyls sombere wereldbeeld uit. Uiteindelijk heeft het leven geen doel, want wat er gebeurt is nietszeggend. Misschien is het daarom dat overvloedig alcoholgebruik, verveling en toespelingen op vrouwen de bladzijden keer op keer vullen.2

Als het leven doelloos is, heeft het geen zin om te geloven in God. De God die terugkomt in de titel is voor Den Uyl inwisselbaar voor de duivel. Oftewel, God is het lot, dat kwaad of goed zonder logica toeschikt. De mens, als speelbal van het lot -waaraan uiteindelijk vooral het kwaad wordt toegeschreven-, dient het lijdzaam te ondergaan.

“De uitspraak ‘Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam’ lijkt ontworpen voor de Spaanse busdiensten en spoorwegen. Vaak ga ik naar Spanje, de masochist in mij wordt er volkomen bevredigd. Alles is daar afhankelijk van het toeval, duistere beweegredenen, gevolgen zonder verklaarbare oorzaken, en het goede of slechte humeur van betrokkenen. Een inspannend duivelsspel. […] Ongekunstelde tragiek, en zo blijft het.”3

 

Gereformeerde opvoeding

Bob den Uyl. Bron Klaas Koppe

Den Uyl heeft een gereformeerde opvoeding gehad, dus kennis over God en het christendom zal bij hem wel aanwezig zijn geweest. In een van de verhalen vertelt de ik-persoon dat hij weinig ophad met de christelijke school waar hij naartoe werd gestuurd als kind. Het zou naar de schrijver zelf kunnen verwijzen. Het personage herinnert zich het psalmen leren, de onrechtvaardige meester en het geven van geld aan de zending.

“Je bent machteloos als kind. Je weet dat het niet klopt, je hebt de schurft aan al die mensen en je weet precies waarom, maar je kan het niet onder woorden brengen. Later wel, en dan schaam je je dat je je zo hebt laten behandelen. Dat blijft aan je vreten.”4

Geloofsopvoeding kan gruwelijk misgaan. Het heeft hem blijkbaar diep geraakt. Dat zou ook kunnen blijken uit een detail, als de ik-persoon in een Duitse stad in de schemering een groot, donker gevaarte ziet opdoemen, niet toevallig een kerk.

“De weg naar het station leidde langs de kathedraal, die in de avond als een enorme donkere massa opdoemde. Zeker geen vreugdevol bouwwerk, eerder een botte, grauwe dreiging. Als de vroegere bouwers de bedoeling hadden de eenvoudige burger angst in te boezemen, waren ze daar wat mij betrof volkomen in geslaagd; ik kon er nauwelijks naar kijken. Lange vergeten angstgevoelens en ruimtevrezen5 braken opgewekt in mij los – eindelijk weer werk aan de winkel.”6

Desondanks kent de schrijver de taal van het geloof nog wel, afgezien van de vloeken hier en daar. Af en toe gebruikt hij die taal, zonder de metafysische betekenis. Bijvoorbeeld wanneer hij een gehaktbal wil bestellen en die niet krijgt. “’Dan niet!’ riep ik, met vlakke hand een klap gevend op het formica. ‘Wat is tenslotte een bal gehakt in de eeuwigheid? Niets immers.’”7

En ook gaat hij niet zo ver dat het onberedeneerde noodlot enkel onderwerping vraagt, in weerwil van eerdere uitlatingen. De mens moet het lot manmoedig dragen, lijkt de ik-persoon –weliswaar met enige ironie- te beweren:

“De aanhoudende afkalving der fundamentele waarden van onze samenleving deed me vroeger vaak verontwaardigd opspringen, maar tegenwoordig draag ik het met berusting. Zelf houd ik het vaandel der ethiek hoog, ik scharrel en schipper niet, maar wat de rest doet, daar zal ik mij niet druk meer om maken.”8

 

Secularisatie?

Het verhaal ‘Toespraak van de generaal’ is een opvallend slot van de bundel. Misschien ga ik te ver om hierin een afrekening te willen zien met het christendom in de samenleving. Toch lijkt het een parabel over de opkomst van de secularisatie.

Een generaal, die aan het einde van het verhaal aan waandenkbeelden blijkt te lijden, roept in een lange toespraak zijn legertroepen op een eiland te veroveren. Hij begint al snel zijn exposé met het voorbeeld van een treinlijn tussen A en B die onrendabel blijkt. De eigenaar van de lijn doet er alles aan om winst te maken. Hij laat de treinstellen een luxe facelift geven, automatiseert de ticketverkoop, enzovoort. Maar hij vergeet één ding: er zijn al andere mogelijkheden om van A naar B te komen. De trein kan een beeld zijn van het leven naar zijn eindbestemming, het hiernamaals. De treinbezitter is de kerk. Het geloof wordt opgepimpt, maar er zijn al genoeg andere mogelijkheden om iets hemels te ervaren.9 Ten tweede reageren de legertroepen na dit exposé nogal weinig onder de indruk. De tegenstelling preuts geloof en vrije seks wordt nog eens van stal gehaald: “Daar lag een tiental paren met ritmisch op- en neergaande billen zich naar een orgasme toe te werken.”10

Verder bedient de generaal zich van bijbels taalgebruik (cursivering van mijn hand) en blijkt het eiland midden in de samenleving te liggen.

“’Natuurlijk,’ vervolgde hij, ‘is met de verovering van het eiland niet met één slag de goede maatschappij tot stand gekomen. Door het eiland te vernietigen nemen wij slechts een rem weg, en wel de allergrootste rem. Er zijn nog meer gebieden die een rem vormen, maar hun invloed is veel geringer en zal, naar ik verwacht, door de geweldige stroomversnelling die zal ontstaan na de verovering van het eiland, als het ware meegesleurd en vernietigd worden. Wij zijn wegbereiders; is er iets mooiers denkbaar? Wij kunnen niets verkeerds doen; door ons werk zal de mensheid een nieuwe kans krijgen, en als het die kans verknoeid is dat niet onze schuld. Dan kunnen wij onze handen, zo we die nog hebben, in onschuld wassen. Persoonlijk geloof ik niet dat dit nodig zal zijn; de achter mij staande groeperingen zullen na het wegvallen van het eiland grote macht bezitten, een macht die gepaard zal gaan met een diep inzicht.’ […]
‘Ja,’ riep er iemand, opstaand, ‘waar ligt dat eiland eigenlijk?’
‘O, o, o!’ lachte de generaal, ‘wat een gemeen vraagje! Maar heel terecht, dat wel. Helaas kan ik hierop geen rechtstreeks antwoord geven. Ik kan alleen dit zeggen: ons eiland is niet omringd door water, onze aanval richt zich op eilandbewoners naar wezen en geest.’”11

Zijn strategie om de resten van het geloof op te ruimen, is helder.

“Als een ordeloze troep zullen we aanvallen, dwars tegen de regels in, ieder voor zich, ons aanpassend aan de omstandigheden. Onze tegenstanders zullen in deze ordeloosheid een geraffineerd plan vermoeden en ervoor op hun hoede zijn. Als gevolg daarvan zullen de blunders die zij volgens de statistieken moeten maken met vele vermeerderd worden. Begrepen?”12

Het is een manier van denken, die in protestants verzuild Nederland erg leefde. Ordeloosheid in de betekenis van normvervaging was de belangrijkste oorzaak voor de ontkerkelijking, zo vond men. Christendom en traditie werden met deze visie op één hoop geveegd en vervolgens door progressieve onkerkelijken gediskwalificeerd. Bovendien was de strijd tegen het christendom gefragmenteerd, ook al herkenbaar voor christenen. Want als de rechten voor minderheden zo goed geregeld zijn in Nederland en toegenomen welvaart ook christenen niet voorbij was gegaan, waar moest je dan tegen vechten? Vandaar het beeld van de sluipende vijand, die overal kon zijn, juist waar je hem niet vermoedde.

De strijd moet gestreden worden, houdt de generaal zijn soldaten voor. Dat is belangrijker dan de vraag of de strijd iets zal opleveren. De generaal denkt van wel, al houdt hij een slag om de arm verderop in zijn betoog.13. Persoonlijk zijn er echter geen voordelen. De generaal lijdt immers aan een waandenkbeeld.14 Het afschudden van het juk van regels maakt de mens ook niet beter of gelukkiger.15.

Diepere laag

Bob den Uyl wordt wel eens toegeschreven of verweten lichtvoetig te schrijven, zonder uitdieping van karakters. Dat mag waar zijn, toch is zijn boek in tweede lezing zeker niet verstoken van een diepere laag. Wat betreft het geloof ontmoeten we een schrijver die zich met dit boek ontdoet van het knellende juk van een geloof vol regels. Of het leven daarna beter wordt, is onbekend. Maar het zijns inziens beter te leven met een noodlot, dat voor het kwaad geen redenen opgeeft, dan met een God die de mens enkel regels oplegt, een God die niet meer relevant is, een God die in de doelloosheid hinderlijk blijft vragen wat de zin is van het leven op aarde.

 

Share on FacebookShare on LinkedInTweet about this on TwitterShare on Google+Email this to someonePrint this page
  1. Bob den Uyl, Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam: verhalen (Amsterdam: Em. Querido’s Uitgeverij, 4e druk 1977) p. 9. Zie ook p. 7.
  2. Wellicht heeft dat wat autobiografische noties, gezien zijn gebruik van het ik-perspectief en de informatie die online encyclopedie Wikipedia over de schrijver geeft: “Vanwege veelvuldig gebruik van alcohol en kalmeringsmiddelen verslechterde eind jaren 80 zijn gezondheid.” (geraadpleegd 10 december 2016).
  3. Zie p. 77. Zie bv. ook p. 53: “’Niets is erger dan een redelijk gesprek. Iedereen legt zijn beetje kennis en ervaring op tafel en daar blijft het dan bij. Daar liggen die beetjes dan naast elkaar, zonder synthese en analyse. Als halfedelstenen die bewonderd dienen te worden. Zeg eens eerlijk, heb jij ooit wel eens een gesprek gehad waar je ook maar een fractie van wijzer bent geworden? Ik bedoel, waar je iets van opgestoken hebt? Dat je inzicht in het wezen der dingen breder heeft gemaakt? Nou?’”
  4. Zie p. 67, verder ook p. 64.
  5. Hier leed Den Uyl zelf ook aan, aldus Wikipedia.
  6. Zie p. 18. Een ander citaat, p. 7: “Religieus gevormde lieden willen nog wel eens met arrogante vanzelfsprekendheid misbruik maken van de tolerantie van niet-gelovigen.”
  7. Zie p. 57.
  8. Zie p. 100.
  9. Zie ook een alinea op p. 127 over de inwisselbaarheid van middel en doel.
  10. Zie p. 125.
  11. Zie p. 129-130.
  12. Zie p. 140.
  13. Zie p. 132.
  14. Zie p. 142.
  15. In het verhaal ‘Verlangens van gedresseerde ratten’ ontdoet iemand zich van holle aristocratische vormen en normen omdat hij ontdekt dat hij daar zichzelf niet in kan zijn. Na twee moorden voelt hij pas de vrijheid om op zoektocht te gaan naar zijn ware ik. Zie o.a. p. 48.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *