Siebelink: zondeval zonder verlossing

Door in Literatuur op 28 september 2017

Recensie: Hartje zomer, Jan Siebelink

Hartje Zomer is een mooie verhalenbundel van Jan Siebelink. Religie heeft daarin een grote plaats, zowel wat betreft de inhoud als voor de verhaallijn. Geloof of niet, het leidt allemaal tot niets, zo is de donkere visie van Siebelink. ‘De zachtmoedigen zullen het aardrijk niet beërven. Dat had ik wel aan mijn vader gezien. De anderen zullen het ook niet. Dat was toch een kleine troost.’1

Deze aflevering is onderdeel van de serie Religie in de Nederlandse literatuur.

Hartje zomer verscheen in 1991. De tweede druk uit 2008, een fraai hardcover exemplaar van De Bezige Bij, tikte ik in een Goudse kringloopwinkel met de toepasselijke naam Emmaus op de kop. Emmaus staat voor zoveel als: teleurgesteld op weg gaan en met iets bijzonders thuiskomen. Wellicht hebben deze verhalen net zo’n verrassende wending.

Een kas in Brummen, foto uit 1975. Bron Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, via Wikimedia Commons

De verhalen, elf stuks, zijn gepubliceerd tussen 1982 en 1990. Ruim voor Siebelinks reliboek en kassucces Knielen op een bed violen uit 2005. Een paar elementen komen terug in dat boek. Siebelink heeft voor zijn verhalen geput uit zijn eigen verleden. Regelmatig duikt Velp op in Hartje zomer, de trolleybussen, de kwekerij van zijn vader met de kassen vol bloemen, de vader vol van zorgen over het schriele inkomen en de afhankelijkheid van de betaling van zijn afnemers, de vader die zich terugtrekt om te lezen uit de Bijbel2 en de moeder aan wie de hoofdpersoon zich sterk verbonden voelt.3

 

‘Ik geloof dat Hij er is’

Het zal dus niet verbazen dat religie, bij Siebelink nader gespecificeerd tot het christelijk geloof, ter sprake komt in de meeste van zijn verhalen. Toch wordt het geloof nooit bevraagd en daarmee niet spannend als Siebelink erover schrijft. Hij tekent enkele naar ik denk vrij nauwkeurig aan de werkelijkheid ontleende of in ieder geval trefzeker gedetailleerde anekdotes op, maar laat de personages daarover niet met elkaar in gesprek gaan. Neem het eerste verhaal: genoeg stof voor kritiek, maar die blijft uit. Een oude man in een serviceflat herinnert zich zijn levensverhaal. Het ‘meisje’ dat in de flat werkt, helpt hem. Het is bekend dat ze ‘gelovig’ is:

 

‘O ja, alleen, als ik alle ellende op het Journaal zie, vraag ik me soms af: is dit Gods bedoeling? Heeft God van tevoren geweten dat de wereld er ooit, zoals vandaag, uit zou zien? Wist hij dat er zoveel verdriet zou zijn? Als ik dit soort vragen stel, blijft er niet veel van mijn geloof over. Het wonderlijke is wel dat ik ervan uitga dat God alles van ieder mens weet. Hij ziet nu dat wij samen aan het praten zijn en ik denk dat God het waardeert dat we over Hem praten. Ik kan wel niet voluit geloven in dingen die niet logisch zijn, maar ik geloof echt dat Hij er is. Ik bid ook iedere dag.’4

Enkele bladzijden verder voelt de ik-persoon (Adriaan of Aja) zich uitverkoren.5 Maar het lijkt meer op een intense bestudering van zichzelf als jongen van een jaar of zeventien, niet op geloof dat uiteindelijk omhoog wijst. Verder wordt er een discussie gevoerd die onbeslist blijft, over hoe het bestaan van God te verenigen is met het verstand6 en wordt de ‘slangenkwestie’ in de Gereformeerde Kerken in de jaren 1920 zijdelings aangestipt.7

 

Geloof als raamwerk van het verhaal

Geloof is bij Siebelink het raamwerk van zijn verhaallijn. Dat doet hij knap. Vlak voor het fatale brommerongeluk in ‘Hartje zomer’ mijmert de ik-persoon voor zich uit:

‘Ik zou als God willen zijn,’ zei ik zomaar op een dag. ‘Om op alle vragen een antwoord te weten.’

Het ongeluk snijdt het leven van vriend Kappie door. De ik-persoon brengt het er levend vanaf, ‘een herrijzenis waar ik niet omgevraagd heb.’8

Een trolleybus in Arnhem, foto uit 1983. Bron Wikimedia Commons

Zo lijkt het verhaal op het Bijbelse verhaal van de zondeval. Adriaan voelt zich uitverkoren en het leven lacht hem toe. Totdat hij als God wil zijn. Dan botst de brommer van Kappie tegen een trein. Kappie sterft, Adriaan blijft leven en draagt deze levensgeschiedenis met zich mee. Trouwen kon hij niet meer, eigenlijk had hij in ’t geheel geen behoefte meer aan menselijk contact. Geloven in God was ook passé; als drieëntachtigjarige serviceflatbewoner bezoekt hij geen gezamenlijke paasvieringen.9 Daarmee eindigt het verhaal in mineur. De zondeval is compleet, de verlossing door de opgestane Jezus (of hoe het ook literair wordt verwoord) blijft uit.

 

Zoutpilaar

Wat religie betreft zijn de andere verhalen in Hartje zomer van hetzelfde kaliber. Het verhaal begint goed, maar eindigt in een deceptie. Bijna elk verhaal heeft zo z’n religieuze ankerplaatsen. In ‘Rendez-vous in Pax’ is dat het scheldwoord ‘zoutpilaar’10 waardoor je als lezer wordt uitgenodigd te zoeken naar verbanden met Lot en Sodom. In het verhaal ‘De kooi’ zit daar nog een laag cultuurgeschiedenis tussen. Een hoer, Béatrice, heeft onder haar huis een donkere kelder, met daarin een kooi om mensen in op te sluiten. Dat gebeurt ook, waarop Béatrice vertrekt. Die nacht brandt het pand af. Niemand heeft het hulpgeroep kunnen horen. De verwijzing naar de hel is zonneklaar. Daarbij komt dat Béatrice is gemodelleerd naar de persoon in Dantes boek De goddelijke komedie, die vraagt of Dante door hel en hemel kan worden geleid.

Slechts een enkele keer gaat de hoofdpersoon in de tegenaanval om de teleurstelling te overwinnen. In het verhaal ‘Tamme kastanjes’ raapt de ik-persoon illegaal kastanjes op een landgoed. Als hij wordt gesnapt, moet hij zijn oogst inleveren. De ik-persoon revancheert zich door het verhaal op te schrijven. ‘Wat een vernedering! De genoegdoening heeft lang op zich laten wachten. Hier is hij dan eindelijk.’11

 

Geen verlossing na het leven

Jan Siebelink. Bron Wikimedia Commons

Verlossing is er niet in het leven, verlossing volgt ook niet na het sterven. Na de dood is er geen leven van betekenis. De doden staren ‘afwezig, verveeld’, en er is geen beweging. ‘De stilte leek ook van minuut tot minuut dieper te worden,’12 droomt de ik-persoon. Het overlijden is niet gewoon, ervaart de hoofdpersoon in een ander verhaal bij de dood van zijn moeder.13 Bij die ervaring blijft het.

Adriaan, uit het eerste verhaal, gelooft als jongen vurig in het hiernamaals. Uiteindelijk spat het geloof uiteen als zijn leven is geknakt door het brommerongeluk.

Soms kun je er wel over praten en dan bestaat het, maar anders niet. In het commentaar van de ik-persoon over de woorden van zijn moeder hoor je bijna de gevleugelde woorden van de onlangs overleden Kuitert.

‘Ik hoorde moeders stem: ‘Ik ga straks naar pappa toe.’ Ze herhaalde de zin enige keren, met nadruk, alsof ik of een ander, onzichtbaar, haar die overtuiging betwistte. Maar ik geloofde het met haar. Ze zou pappa terugzien. Zoals zij het zei, zou het gebeuren. Dat was aan haar stem te horen.’14

 

  1. Zie blz. 122.
  2. Zie blz. 119, ‘Late afrekening’.
  3. Zie de verhalen ‘Geluidswal’ en ‘Late afrekening’.
  4. Zie blz. 13.
  5. Zie blz. 16 en 18.
  6. Zie blz. 23: ‘Ik geloof absoluut dat God bestaat. Wat is nu een God die door de mens te begrijpen is? Hij is geen God…’
  7. Zie blz. 25.
  8. Zie blz. 34.
  9. Zie blz. 13.
  10. Zie blz. 47.
  11. Zie blz. 96.
  12. Zie blz. 110.
  13. Zie blz. 92.
  14. Zie blz. 118.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *