Systeembouwer Bint verliest van het wezen, de klas

Door in Literatuur op 13 maart 2016

Recensie: F. Bordewijk, Bint

Bint van Bordewijk. Bron ardjanlogmans.nl

Bint van Bordewijk. Bron ardjanlogmans.nl


“Van toen af werd de weg om te gapen naargeestig. In Yperen wees de Bree op de kerk verblindend van nieuwheid. ‘Gothiek uit de vijftiende eeuw,’ zei hij, ‘waarvan de mortel nog nat is.’”1

Docent Nederlands De Bree maakt met de helft van zijn klas 4D, door hem “de hel” genoemd, een fietstocht door Nederland, België en een stukje Frankrijk. Onderweg doen ze Yperen aan, waar een kerk te ontwaren valt.

Dat is weer wat anders dan lesgeven aan de hel, niet zonder reden in de kelder van het schoolgebouw. De hemel is op slot. Daar zijn de ongebruikte bètalokalen. Daar is alles verstoft en heeft het vergif (van religieuze onderwerping?), opgesloten in een kast met hangslot, zijn kracht verloren.2

Het zijn, naast vloeken, de enige duidelijke verwijzingen naar het christendom in Bint van Ferdinand Bordewijk (1884-1965). Bordewijk is er in de Nederlandse literatuur vroeg bij om een areligieus verhaal te schrijven. Toch wil deze recensie een poging zijn om religie in zijn boek aan te wijzen.

Deze aflevering is onderdeel van de serie Religie in de Nederlandse literatuur.

Het ongezegde

Bordewijk lezen is telkens een aparte gewaarwording. Bijna alle gebeurtenissen in het boek staan voortdurend onder spanning. Zal de bom barsten of niet? Dat heeft te maken met Bordewijks bondige beschrijvingen van personages of gebeurtenissen. Daarbij zet hij nog eens flink aan door treffende metaforen – een klas die op hertenbenen de school inrent – of plastische beschrijvingen van fysieke kenmerken van personen. Allen zijn schonkige lelijkerds, smerige “beesten”.

De personages in Bint doen denken aan de kubistische figuren van Picasso: hoekig, massief, lelijk en grauw. Bron Wikimedia

De personages in Bint doen denken aan de kubistische figuren van Picasso: hoekig, massief, lelijk en grauw. Bron Wikimedia

Bondigheid is het kenmerk van Bordewijk. Het lijkt alsof hij schooldirecteur Bint voor zichzelf laat spreken. Bint waarschuwt zijn kleine lerarenkorps:

“Ieder woord in de klas moet een bevel zijn. Het bevel is kort. Het woord in de klas kan korter zijn. Wij moeten de spreekwoordelijke wijdlopigheid van de Nederlander bekampen, logenstraffen. De taal van de regering, hoog en laag, de laat van de wetten, de taal van de kranten is mij een gruwel. Ik lees geen kranten meer omdat van de tien woorden er niet één is verantwoord. Wij misbruiken onze taal steeds roekelozer. Wij prostitueren haar. Prostitutie is zedenbederf. Aan zedenbederf gaat een volk ten onder. Wij zijn op de helling. Als wij ons niet weten af te werken van de helling gaan wij onder aan onze taal, met onze taal.’”3

Korte zinnen en grote woorden. En daarbij: nauwelijks gesprek tussen personages. Samenhang ontbreekt, staccato volgen ruimtebeschrijvingen en acties van personen elkaar op. Het gevolg is dat het hele boek blijft broeien vanwege al het ongezegde.

Kadaverdiscipline

Bordewijks manier van schrijven zorgt er ook voor dat religie, een overtuiging überhaupt, weinig voet aan de grond krijgt in Bint. Waar het Woord een weg kan gaan, is communicatie nodig. En die ontbreekt in Bint. Ieder roept letterlijk zijn oneliner; een reactie blijft uit. En alleen Bint zelf heeft de eer af en toe een monoloog te kunnen afsteken.

Een daarvan gaat over tucht, de grond onder zijn systeem. “Naar het systeem telde niet het individu, opdat individuen geteeld werden uit het systeem.”4. En verder:

“’Ik maal niet om de psyche van een kind, dat een rottigheid is van deze tijd.’ Bints hand kwam plat op tafel. ‘Ik eis van de leraar dat hij zich niet inleeft in het kind, dat hij niet daalt. Ik eis van het kind dat het zich inleeft in de leraar, dat het klimt. Ik eis dat het zich inleeft in tien leraren. Ik eis dat het tienmaal gehoorzaamheid zal kennen, tienmaal tucht, dat het door tien volwassenen zal worden getuchtigd.’”5

Het breken van het individu voor het tuchtsysteem komt niet verder dan kadaverdiscipline. De kinderen moeten door tucht ‘reuzen’ worden. Kerels. Maar dat is niet meer dan een platitude, want een doel ontbreekt.

Bint gaat zelf aan zijn systeem ten onder. Na de zomer is hij plotseling verdwenen.6 Misschien wel het sterkste kenmerk van kadaverdiscipline: de structuur blijft gewoon intact, ook als de leider weg is. Die vaste verhoudingen zijn veilig. Het systeem wordt als doel in zichzelf geëerbiedigd.7

Duivels, ondieren, geplaagde mensen

Terug naar die kerk in het inleidende citaat. Kerkgebouwen in het boek verrijzen nog, “verblindend van nieuwheid”. Maar het is slechts reproductie van het verleden. En vroeger heeft zijn waarde verloren, vindt De Bree.8. Christendom, dat vernieuwing oproept door geschiedenis en menselijke structuren heen, blijkt in Bint verder weg dan ooit.

En toch roepen de personages ook empathie op. Niet met Bint en zijn drillende schoolsysteem en nauwelijks met De Bree, die zo goed en kwaad als het kan het program van Bint kopieert.9 Medeleven ontstaat vooral met de klassen, die met een bepaalde losheid door het boek heenfladderen. Elke klas tekent op eigen wijze verzet aan tegen geestdodende gehoorzaamheid, door nonchalance, door zich overijverig op het leerwerk te storten, door eigen ongeschreven klassenregels te hanteren, door gedwee mee te doen zonder zich in het hoofd of het hart te laten kijken. Want “de klas is een wezen” wordt keer op keer herhaald.10 En een wezen zoekt naar gemeenschap en naar zin van het leven. Dan is religie, in de betekenis van verbinding door een hoger doel, niet ver.

Ferdinand Bordewijk. Bron johanbordewijk.nl

Ferdinand Bordewijk. Bron johanbordewijk.nl

Maar dat alléén is toch te positief. Het wordt een beetje suggestief om verder te denken over religie in Bint. Een poging. De vernieuwingskracht van het christelijk geloof impliceert een vroeger en een heden. Oud en nieuw. De Brees verbinding daartussen, zijn onderzoek naar Anna Maria van Schuurman en de labadisten, mislukt.11 En klas 4D heeft alleen oog voor het nieuwe. Voor de ammoniakfabriek onderweg, voor de schoorsteenpijpen die de skyline van de stad bepalen.12 En één keer voor het oude: voor een schilderij van Jeroen Bosch over het oordeel. De notie ervan werd niet of slechts onbewust begrepen.

“Hij leidde hen voor de schilderij van Jeroen Bosch vol duivels, ondieren, geplaagde mensen. Zij troepten aandachtig samen. Hij glimlachte. Hij kon hen nauwelijks weer buiten krijgen. Whimpysinger en De Moraatz waren wild van het doek. In de poort trapten zij naar elkaar.”13



Share on FacebookShare on LinkedInTweet about this on TwitterShare on Google+Email this to someonePrint this page
  1. Zie p. 57. Voor deze recensie is gebruik gemaakt van F. Bordewijk, Bint, roman van een zender (Groningen: Wolters-Noordhoff 1998).
  2. Zie p. 62.
  3. Zie p. 32.
  4. p. 46, zie ook p. 31-32.
  5. Zie p. 31.
  6. Sommige docenten beweren dat dat komt door de zelfmoord van leerling Van Beek, die Bint niet over had laten gaan vanwege te lage cijfers. p.73-74: “Bint was zwakker dan zijn systeem geweest. Hij had de ijzeren consequentie van zijn systeem niet kunnen dragen (…) Bint koos tussen Bint en Bint zijn systeem. Bint werd oud, ging heen, het systeem was modern, bleef jong, blééf.”
  7. “De volgende dag werd hij [De Bree, AL] heel vroeg wakker. Hij voelde dat hij wilskrachtiger leefde dan ooit, maar met een element van eerbied dat nieuw was omdat het plechtig was. (…) Maar recht-over had hij het geelgrauw gesausd schoolblok. Ondanks de lekken die donker over zijn oud pleister hadden gehuild scheen het naast de zwarte huizen wit, van een indringend wit. De torenklok wees in verbleekt goud op zeven uur. In de stille stroeve hal keek De Bree even rond, maar hij zag naar niets. Hij was zich bewust, dat er iets rustte ergens hier, dat er hier ook iets leefde. Een as, een ziel. Toen kwam het over hem , eenvoudigweg, het hoofd te onbloten en zacht ging hij de trap naar boven.” Zie p. 76.
  8. “Wat oud is en de moeite waard hoort in een verzameling. Maar oud en nieuw door elkaar is onzin. Een stuk oude stad kan desnoods een openluchtmuseum zijn. Maar een stad te sparen om haar ouderdom is een zwakheid. De middeleeuwse hal van Brugge werd niet gebouwd voor ogen die van de toren neerzien op een paar honderd parkerende auto’s. De auto of de middeleeuwen, niet alle twee. Behoudendheid is een vloek. Misschien gaan wij een kringloop, dan komen wij vanzelf bij het verleden terug. Maar wij moeten er niet bij willen verwijlen. En wij mogen hopen dat latere geslachten onze bouwsels zullen slopen.” Zie p. 50.
  9. Het schoolregime duldt geen menselijke maat. Als klas 4D een bondje met het systeem wil sluiten, wijst De Bree dat af (p. 27). Een schooloproer om diezelfde reden –gezagsondermijning is een kwaal van die tijd, vindt Bint- wordt de kop ingedrukt (p. 34).
  10. Hoewel de leraren en de school ook een wezen worden genoemd (p. 25), doet de klas daar nog het meest aan denken. In die zin, dat een wezen relaties zoekt en het leven nooit alleen door regels kan laten dicteren.
  11. “Men hoefde niet altijd iets nieuws te zeggen, men zei het maar in het geluid van zijn tijd. Deze oudbakken stijl, – was dat het geluid van zijn tijd?” Zie p. 68.
  12. Zie p. 49 en 57.
  13. Zie p. 49-50.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *