Wesseling-De-man-die-nee-zeiEen geweldige tijd moet aanbreken als een historicus zijn carrière achter de rug heeft en het pensioen is aangebroken. De boeken dan nog geschreven moeten worden, krijgen iets lichtvoetigs. Al die jaren van geschiedbeoefening hebben kennis voortgebracht. Kennis die door hem is heengegaan en is samengesmolten tot een visie op het verleden. Het lijkt of de historicus zijn boek vanuit de losse pols schrijft, het slechts hoeft te vullen met aanwezige kennis en interpretaties. Saillante details vullen dan de laatste leemten op. Maar hoeveel vent mag een historisch-wetenschappelijk boek hebben om geen geweld te doen aan de vorm?