Waarom ziet gij er zo ruig en weelderig uit?

Door in Geschiedenis op 5 juli 2018

U kent ze wel, die stereotypen van de gereformeerde gezindte: rokjes, zwartekousenkerken, noem maar op. In de negentiende eeuw was er ook zo’n begrip voor orthodoxie: pruikenmakersgeloof. Hoogleraar C. W. Opzoomer schreef het woord op in de jaren 1860.

C.W. Opzoomer, door Jozef Israels. Bron Wikimedia Commons

Toentertijd golden hoogleraren als Opzoomer en J. H. Scholten als wegbereiders van de moderne wetenschap. Die waardeerde argumenten als ze logisch waren of uit de natuur waren te verklaren. Theologie als ”spreken van boven” was verdacht. Je kon niet doordeweeks wetenschap bedrijven en zondag „naïef” in de kerk zitten, vond Opzoomer. De moderne theologie wil niet „aan de éénen hoek van den mond ja, en aan den anderen neen zeggen. Zij heeft geen hart voor het geestig bespotte dubbel boekhouden, voor naast elkaar plaatsing van sceptische wetenschap en pruikenmakersgeloof.”

Waar komt dat scheldwoord vandaan? Daarvoor moeten we even terug in de tijd. In de Gouden Eeuw volgden de hogere standen, waaronder predikanten, de Franse mode. Zo kwam het lange haar bij de man in zwang. De moderne predikanten en theologen kozen voor lang haar en later voor de pruik, de behoudende aanhangers van Voetius hielden hun haar kort en droegen tegen de kou een kalotje. Schoorvoetend volgden in de achttiende eeuw sommige voetianen zoals Smijtegelt en Hellenbroek hun bepruikte collega’s. Zolang er maar geen poeder aan te pas kwam. Alleen linkse kanselrakkers droegen een bepoederd exemplaar.

Zo’n pruik was natuurlijk loodzwaar, zodat die in de achttiende eeuw weer uit de gratie raakte. Opnieuw duurde het even voordat behoudende predikanten ook hun pruik tussen de mottenballen hingen. Het laatdunkende woord „pruikenmakersgeloof” was dus een in taal gestolde verwijzing naar de laatste pruikendragers onder predikanten.

Er is trouwens veel gepreekt over de mannelijke haardracht. Ds. Jacobus Borstius vond, aldus een preek in 1645 gehouden in Dordrecht, het haar bij zijn collega’s te lang zodra het over de wangen of de rug viel. Zijn gemeente moet gesmuld hebben van deze „hairige oorlog” op de kansels: „Zijt gij dienaren van Christus, laat het blijken! Strijdt gij onder zijn banier, hebt gij oorlog tegen de duivel, waarom ziet gij er dan zo ruig en weelderig uit, alsof gij zijn vrienden waart? Als de satan u zag aankomen en naar het uiterlijk oordeelde, hij zou u voor zijn vrienden aanzien en menen dat gij kwaamt om hem te helpen.”

’t Kan verkeren. Zoals de vooruitstrevende Opzoomer de pruik gebruikte om orthodoxie als ouderwets te bestempelen, zo betreurde twee eeuwen eerder de behoudende Borstius de lange, kunstige haardracht van progressieve kanselredenaars. En zoals Opzoomer op de man speelde met stereotypen, zo was Borstius ook niet vies van argumenten van twijfelachtig kaliber. „Hebt gij niet gelezen dat de Heere de dochters van Sion dreigt „een kale kop voor het lang gekroesde haar” (Jes. 3)? Dat kan u ook haast overkomen, dan zal dit sieraad bitter opbreken als gal en alsem, wanneer men het haar met de wortel zal uitplukken, met slijk en drek poeieren en in uw eigen hartebloed verven, als God verslaan zal de harige schedel en ruige kop van hem die in zijn schulden wandelt.”


Deze bijdrage verscheen als column ‘Kerkhistorie met een knipoog’ in het Reformatorisch Dagblad, in januari 2018.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *