Zo hard mogelijk

Door in Geschiedenis op 11 juli 2018

Een kerk in Wassenaar. Bron Gerard Dukker, via RCE, Wikimedia Commons

Enige tijd geleden sprak ik een Urker zanger. Na de spreekwoordelijke koetjes en kalfjes vroeg ik hem waarom koren zoals die van hem zo hard zingen. Terwijl zijn ogen lichtjes schitterden, reageerde hij met een proeve van bekwaamheid door Psalm 107:12 in te zetten: „Zij die de zee bevaren, met schepen rijk bevracht.” Hij stopte en zuchtte voldaan. „Hiervoor oefenen we dus jaren.”

In mijn eigen Randstedelijke gemeente klinken er tijdens de dienst niet zo veel harde stemmen. Dat ligt de stadse kerkganger blijkbaar niet. Ritme en tempo laten lange, krachtige uithalen bovendien niet toe. Wie goed kijkt, ziet dat kerkgangers hier en daar zelfs niet verder komen dan wat murmelen.

In de geschiedenis is goed zingen onbewust gelijk aan hard zingen. Volgens sommige bronnen is dat het gevolg van de volksaard. Het dreunend kerkgezang verschilt dan in wezen niet veel van het geloei in het stadion. Een praktischer argument is dat in vroeger dagen niet elke gemeente een orgel had om psalmen en gezangen te begeleiden. Daarom was er een voorzanger die over een machtig stemgeluid moest beschikken om het kerkvolk te leiden.

De gemeente volgde de beste man vaak niet alleen in toonhoogte, maar ook in volume. Musicus F. C. Kist kon het niet aanhoren, schreef hij in 1840. „Het is geene overdrijving, wanneer ik beweer, dat duizenden landbewoners nog in het denkbeeld verkeeren, als werden Psalmen en Gezangen, dan eerst regt goed en ter verheerlijking van God gezongen, wanneer de aangezigten der zangers met vuurroode en paarse kleuren worden bedekt, en de gewelven als op hunne grondvesten dreunen; ja, dat menig voorzanger op zulk eene soort van zingen, en dus ook op het bezit van eene verschrikkelijk sterke stem, waarmede hij in zijne gemeente den boventoon houden kan, en zich als eene schelle bazuin doen hooren, den hoogsten prijs stelt.”

Plattelands- en kustgemeenten komen er bij Kist bekaaid af. Daar is „eenige muzijkale beschaving eene geheel onbekende zaak.” Het is een hard gelag: Kist kan niets met die Urker en Katwijker koren.

J.W. Schulte Nordholt. Bron Ron Kroon, via Wikimedia Commons

Anderhalve eeuw later is de voorzanger van het kerktoneel verdwenen, maar het bulderen bleef. Een van de samenstellers van het Liedboek voor de kerken uit 1973, J. W. Schulte Nordholt, verhaalde in 1991 hoe hij als jongetje heel hard zong. „In de kerk zongen we ze, zo luid en zo traag mogelijk, met diep ademhalen tussen elke noot, en wij, ik bedoel mijn vriendjes en ik, voerden daarbij de boventoon. Wij zaten in het doophek helemaal vooraan, wij waren de avant-garde van de kudde, we deden graag wie het hardste kon, en dat kon heel hard.”

Schulte Nordholt geneerde zich overigens niet voor zijn kindertijd, integendeel. „Zo dubbel was dat, geschreeuw en ontroering, onbegrip en ervaring. Bij mij begon het, en ik was zeker niet ouder dan zeven jaar, ik denk zes, met Psalm 68:7. Die las ik, die leerde ik moeiteloos, en waarom eigenlijk? […] Die duif van goud en zilver was mij spontaan lief en het belonkende goddelijke oog nam ik op de koop toe. Het kan mij best in de gaten gehad hebben.”

Dit is een aflevering uit de kerkhistorische rubriek ‘Kerkhistorie met een knipoog’ van het Reformatorisch Dagblad. Deze column verscheen in maart 2018.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *